Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

KABRA0060_0061_14828

Een sage (mondeling), 1984-11-8 1984-11-8 (foutieve datum)

Hoofdtekst

L.V.: Bij ons in de geburen was een man allesbehalve goed, zogenaamd “Spekspier” (Petrus Van Heukelom). En dat was dadelijk als hij thuis kwam zijn vrouw maar slagen geven. En dat op de lange duur de geburen zegden, “Pier, ge moogt uw vrouw niet slaan. Waarom doet gij dat?” “Gij hebt er niets mee te moeien, gij hebt er niets mee te maken. Keert maar voor uw deur en pakt de bessem (bezem) maar en keert maar ver genoeg van uw deur weg.”Toen hadden ze dan besloten om maar te zwijgen en een dagboek aan te kopen. Een dagboek aangekocht; zo gezegd, ook zo gedaan. Opgetekend als hij zijn vrouw sloeg. En dat had dan ongeveer zo’n kleine vier maanden geduurd.Toen werd het vastenavond. Ze zouden hun verkleden en met drieën er naartoe gaan. De een had een ketting, de andere het dagboek en de andere nog een stok. Zo gauw als ze gereed waren er naartoe en binnen. Toen riep Pier: “Oh, wat komen jullie hier doen? Ziet maar gauw dat ge buiten komt! Ge hebt hier niets te doen!” “Oh, nee!”, zei die met het dagboek, “wij blijven hier!” De ketting begon al te rammelen. Wat nu? “Nu, zeg maar eens waarom gij uw vrouw sloeg op die dag, die datum.” “Ja, toen had ik hoofdpijn.” “Op die dag, die datum.” “Ja, toen had ik tandpijn.” “Nu dan, op die dag, die datum.” “Toen was het eten niet klaar en ik had honger.” “Oh zo, dat is nu al zoveel en al zo dikwijls. En die dag dan?” “Oh, toen was ik zat. Ik wist niet wat ik deed.” “Oh! Gij, zotte beest! Gij, kerel! Gij gaat mee naar de hel met mij!” “Och, lieve duivel! Laat mij leven! Ik zal mijn vrouw nooit geen slagen meer geven. Ik zal werken vroeg en laat, als ge maar alleen naar de hel toegaat.”Sindsdien had zijn vrouw toch geen slagen meer gehad en de vastenavondmannen hadden een pluimpje op hun mutsje gehad.

Beschrijving

In Eksel woonde een man die zijn vrouw altijd afranselde. De buren hadden de man al vaak gezegd dat hij zijn vrouw niet mocht slaan, maar daar had de man geen oren naar.
De buren kochten een dagboek en schreven gedurende vier maanden op wanneer de man zijn vrouw had geslagen. Op vastenavond verkleedden de buren zich en namen het dagboek, een ketting en een stok mee naar de man. Toen de man de vreemde verschijningen zag, riep hij verschrikt: "Oh, wat komen jullie hier doen! Maak maar gauw dat jullie wegkomen!" De man met het dagboek antwoordde: "Neen, wij blijven hier!" en somde vervolgens alle dagen op, waarop de man zijn vrouw had geslagen. Voor elke keer kwam de wrede man met één of ander excuus voor de dag. Daarop zeiden de drie: "O, Jij beest! Jij gaat mee naar de hel met mij!" Wanhopig riep de man: "Och, lieve duivel! Laat mij leven! Ik zal mijn vrouw nooit meer slaag geven! Ik zal werken van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat, als je maar alleen naar de hel toe gaat!" Sindsdien heeft de man zijn vrouw nooit meer geslagen.

Bron

K. Abrahams, Leuven, 1986

Commentaar

3.1 Duivels
limburgs (eksel)
20
fabulaat

Naam Locatie in Tekst

Eksel    Eksel