Hoofdtekst
Daar waren twee soldaten van hun leger weggedwaald en die waren op zoek naar logement en ze klopten aan een huis. Daar kwam een heer opendoen en die zei: 'Ik kan u geen logement geven, maar hier wat 'wijder' staat een kasteel leeg. Maar ik verwittig u: daar spookt het en al wie daar gaat slapen, sterft van de schrik.' Maar die mannen hadden al overal gevochten en gelogeerd en die kenden geen schrik en die gingen daar slapen. Ze kregen nog eten mee en een spel kaarten. Ze hadden met de kaarten gespeeld tot bijkans twaalf uur en toen zei de ene: 'Nu leggen we ons met onze kop op tafel en wat daar ook gebeurt, we doen of we slapen.' Toen het twaalf uur was, kwamen daar drie spoken in, ze waren gelijk mensen gekleed maar de deuren waren toe en daar gingen ze zo door. En toen haalden ze uit een muurkast twee kroegen heel vol geld en dat schudden ze uit op de tafel en dan begonnen ze te tellen en op hopen te leggen. Toen zeiden ze tegen de soldaten: 'Dat is voor u' maar die sliepen maar door, maar ze hoorden alles goed en ze loerden ook al eens. En toen schudden de spoken hen en ze trokken aan hun mouwen, aan hun neus en aan hun oren maar dat hielp allemaal niet, die mannen 'probeerden' dat ze sliepen en dat ze niet hoorden wat de spoken zeiden. Het hielp niet dat ze zeiden: 'Kies maar welke hoop ge wilt.' Toen deden de drie spoken het geld weer in de kroegen en ze zetten ze terug en een spook zei: 'Dat geld steekt hier in duivelsnaam en dat kan niemand krijgen of hij moet een zwarte bok brengen zonder één enkel wit plekske aan...' En toen gingen ze weer weg gelijk ze gekomen waren . Die soldaten dachten: 'Dat geld konden we goed gebruiken' en ze begonnen te zoeken naar een zwarte bok. En ze reisden maar rond en als ze een zwarte bok vonden had hij altijd een wit haartje in zijn baardje of onder zijn staart. Op 't einde vonden ze die bok toch waar niets wits aan was en toen gingen ze terug naar het kasteel en toen ze de zwarte bok voor de muurkast zetten, ging ze vanzelf open en toen hadden ze veel geld. De bok sloten ze in de muurkast en toen gingen ze plezier maken en drinken en feesten. Maar na een dag of twee zei ene: 'Die arme bok zal vergaan van honger, we zullen hem eten geven en toen gingen ze weer naar het kasteel en ze zagen al van verre dat de deur van de muurkast kapot geslagen was, en van de bok vonden ze alleen nog wat bloed en wat haar, zo 'na vaneen' had de duivel hem geslagen.
Onderwerp
SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   
Beschrijving
Twee ronddwalende soldaten waren op zoek naar een plaats waar ze de nacht konden doorbrengen. Toen ze aanklopten bij een huis, kwam er een man opendoen, die zei: "Wat verderop staat een kasteel, maar ik moet jullie waarschuwen: het spookt daar, en iedereen die er verblijft, sterft van angst." De mannen waren echter niet bang en trokken naar het kasteel met wat voedsel en een kaartspel. Toen de soldaten tot bijna middernacht met de kaarten hadden gespeeld, zei de ene: "We leggen hier ons hoofd op de tafel, en we doen alsof we slapen, wat er ook gebeurt." Om twaalf uur kwamen er drie spoken binnen, die uit een kast twee kisten met geld haalden, en dat begonnen te tellen. Toen spraken de spoken tot de soldaten: "Kies maar welke hoop geld je wil hebben!", maar de mannen deden alsof ze sliepen. Daarop legden de drie spoken het geld weer in de kisten en zeiden: "Dat geld steekt hier in de naam van de duivel; niemand kan het bemachtigen, tenzij hij een zwarte bok meebrengt, waar geen enkel wit plekje aan te bespeuren is." Toen de spoken verdwenen waren, besloten de soldaten op zoek te gaan naar een zwarte bok. Toen ze een geschikte bok hadden gevonden, gingen ze terug naar het kasteel en zetten het dier vóór de kast, die daardoor vanzelf open ging. De soldaten namen het geld mee en sloten de bok op in de kast. Na enkele dagen plezier gemaakt te hebben, zei één van de soldaten: "Die bok zal omkomen van honger; we zullen hem wat te eten geven." Toen het tweetal in het kasteel binnenkwam, zagen ze al van ver dat de kast helemaal was stukgeslagen. Van de bok was alleen wat bloed en wat haar overgebleven; zo had de duivel hem toegetakeld.
Bron
F. Beckers, Leuven, 1947
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
zuid-limburgs
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Kortessem   
