Hoofdtekst
Beschrijving
In Bellingen woonden mensen die vaak bezoek kregen van een vrouw. Telkens wanneer die vrouw op bezoek was geweest, werden de kinderen van de mensen ziek. Daarom gingen de mensen naar de pastoor, die hen overlas en hen een stukje van de gewijde kaars gaf. Toen men dat stukje onder de trap had gelegd, kon de toveres niet meer binnenkomen. Als de pastoor zulke mensen overlas, rolden de zweetdruppels van zijn gezicht.
Bron
M.-J. Deraemaeker, Leuven, 1977
Commentaar
2.1 Heksen
brabants (zuid-west)
29D
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bellingen   
Plaats van Handelen
Bellingen   

