Hoofdtekst
48 T -Wel, aldaar gingen wij in den tijd als kind want wij gingen thuns (dan) altijd bij mijn meetje, mijn grootmoeder haar zuster woonde daar ook op die steenweg bij die tante en van daaruit met die kinderen gingen wij ook gaan spelen. Maar die kinderen zelf zeiden thuns (toen) altijd: hier spoken ze ‘s avonds, want hier komen de lichtjes allemaal dus die spraken daar ook allemaal van, van de dwaallichten en de stalkaarsen en wat was het allemaal, ze holden een thuns (dan) ook betteraven uit in den tijd die ze overhadden, de mensen waren van alles schou ook thans (toen) hé, maar dat heb ik haar dikwijls horen ...I -En wat dachten ze van die lichtjes, wat zeiden ze daar ook van?48 -Ah ook dat dat spoken waren g’heel zeker, de mensen dachten aan anders niet of aan spoken en aan allez aan al zo’n dingen.II -Maar weet ge nu waar dat dat is? Zeg een keer waar dat dat is.II -Ah, Saligauds baantje daar rechtover was er ook een ree.46 -Een recht baantje, maar van één dal (een grote vierkante tegel). En dat is juist aan de crèmerie een beetje lager en ge komt daar ...
II -Jamaar, aan de crèmerie dat is van Verstraaeten dat ge wilt zeggen?46 -Aan Werner is er daar een baantje.II -Ah ja, daar is er ook een baantje. Ah het is dat baantje, ah maar dat weet ik.48 -Ik peins eer dat het dat baantje was. Ik peins wel dat het zover was, maar ik weet het niet.II -Ah ja, ja en dat komt dan in de Wassenhovestraat.46 -Ja, ja.48 -Ik weet dat niet meer, dat is zoveel jaren geleden. Maar ik dacht ook dat het de straat af was en aan de andere kant. En ‘t stond ginder in de verte een boerderij of iets en mijn grootmoeder ging soms naar die boerderij en daar waren ook kinderen, in die tijd mocht ik meegaan en die kinderen vertelden dan ook dat ze ‘s nachts schou waren, want dat de stalkaarsen dansten.II -Was dat aan Neelkens hof misschien?48 -Dat weet ik niet, die namen, want als kind ge weet dat niet hé, dat euh. Wat weet gij nog van spoken en van, gij weet niets hé. (tot haar man die even passeerde.)I -Is dat hier niet op de punt van de Grotstraat, hier is de kerk?46 -De Grotstraat, hier is de kerk.II -Jamaar, ik weet waar dat dat is dat baantje, tussen Marcel van Briesens en Werner.46 -Ja, ja, sluizeken heet het, hier zie, hier zie. Aan ‘t Sluizeken.48 -Maar ‘t Sluizeken is nu al een schone baan hé. II - ‘t Sluizeken is ‘t eerste stuk van de Wassenhovestraat.E48 -De overkant.II -De overkant, het is dat baantje niet?46 -Is het dat baantje nu niet?II -Ge hebt Werner, de restaurant, vlak daarnevenst was er een baantje.46 -Ja, ja, en ‘t is daar nog!48 -En al daar ging ik in de tijd met mijn grootmoeder en dat kwam uit ‘t laatste op een boerderij en in die boerderij ging mijn grootmoeder was dat kennis of familie, in die tijd dat weet ik ook niet. Maar ik ben dikwijls daar gegaan en die kinderen van daar vertelden dan ook van de stalkaarsen en van wat weet ik allemaal.46 -Hier moet dat baantje zijn zie.II -Nee, nee, ik weet waar het is. Nevenst Werner.46 -Nevenst Werner.II -Tussen Marcel Briesmoutier en hoe heet ze daar?I -Ah ja.II - en Werner.I -Maar niet de Leenstraat dan?46 -Nee, nee, naar de Colruyt op.
II -Jamaar, aan de crèmerie dat is van Verstraaeten dat ge wilt zeggen?46 -Aan Werner is er daar een baantje.II -Ah ja, daar is er ook een baantje. Ah het is dat baantje, ah maar dat weet ik.48 -Ik peins eer dat het dat baantje was. Ik peins wel dat het zover was, maar ik weet het niet.II -Ah ja, ja en dat komt dan in de Wassenhovestraat.46 -Ja, ja.48 -Ik weet dat niet meer, dat is zoveel jaren geleden. Maar ik dacht ook dat het de straat af was en aan de andere kant. En ‘t stond ginder in de verte een boerderij of iets en mijn grootmoeder ging soms naar die boerderij en daar waren ook kinderen, in die tijd mocht ik meegaan en die kinderen vertelden dan ook dat ze ‘s nachts schou waren, want dat de stalkaarsen dansten.II -Was dat aan Neelkens hof misschien?48 -Dat weet ik niet, die namen, want als kind ge weet dat niet hé, dat euh. Wat weet gij nog van spoken en van, gij weet niets hé. (tot haar man die even passeerde.)I -Is dat hier niet op de punt van de Grotstraat, hier is de kerk?46 -De Grotstraat, hier is de kerk.II -Jamaar, ik weet waar dat dat is dat baantje, tussen Marcel van Briesens en Werner.46 -Ja, ja, sluizeken heet het, hier zie, hier zie. Aan ‘t Sluizeken.48 -Maar ‘t Sluizeken is nu al een schone baan hé. II - ‘t Sluizeken is ‘t eerste stuk van de Wassenhovestraat.E48 -De overkant.II -De overkant, het is dat baantje niet?46 -Is het dat baantje nu niet?II -Ge hebt Werner, de restaurant, vlak daarnevenst was er een baantje.46 -Ja, ja, en ‘t is daar nog!48 -En al daar ging ik in de tijd met mijn grootmoeder en dat kwam uit ‘t laatste op een boerderij en in die boerderij ging mijn grootmoeder was dat kennis of familie, in die tijd dat weet ik ook niet. Maar ik ben dikwijls daar gegaan en die kinderen van daar vertelden dan ook van de stalkaarsen en van wat weet ik allemaal.46 -Hier moet dat baantje zijn zie.II -Nee, nee, ik weet waar het is. Nevenst Werner.46 -Nevenst Werner.II -Tussen Marcel Briesmoutier en hoe heet ze daar?I -Ah ja.II - en Werner.I -Maar niet de Leenstraat dan?46 -Nee, nee, naar de Colruyt op.
Onderwerp
TM 4905 - Dwaallichten (stalkaarsen)   
Beschrijving
Vroeger werden de kinderen bang gemaakt met verhalen over dwaallichtjes en stalkaarsen. Het gebeurde vaak dat men bieten uitholde en er een kaarsje in zette om de mensen bang te maken.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
48T
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zottegem   

