Hoofdtekst
I En wat ik ook al heb gehoord was van de alvermannekes.20 Ja, ze vertelden zoveel.I En wat was dat dan?20 Tja, wat was dat dan? Dat weet ik ook niet meer, hoor. De alvermannekes, de kabouterkes.I De ene zei van als de oogst gedaan was, of ze kwamen wat fruit van je pakken en ge zaagt ze en ge zeidt: "Wat zijt ge daar aan het doen?" "O, zet de was maar buiten, wij doen de was wel."20 O, nee, dat …I En iemand anders zei van dat ze vroeger altijd verteld werden van niet bij een put te komen. Dat daar ook een alvermanneke inzat.20 Jaja, die trok je met een haak de put in.I Dat waren de alvermannekes?20 Jaja,… (= onverstaanbaar)! Ja, ze hadden bang dat de kinderen daarnaar gingen zien, en erbinnen vielen. Dan zeiden ze: "Daar zit iets in wat u met een haak intrekt." Dan bleven we daar weg, hé.
Beschrijving
Om te voorkomen dat de kinderen in een put zouden vallen, zeiden de mensen: "Pas op, want in de put zit een alvermannetje dat je met een haak naar beneden trekt!"
Bron
H. Schoefs, Leuven, 1996
Commentaar
1.2 Aardgeesten
limburgs (groot-riemst)
20I 342
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Herderen   
