Hoofdtekst
Op het einde van de Kleistraat hadden ze een bieterave in de grond gestoken en er een kaarske ingezet. En als het donker werd ontstoken ze die kaars. Dat was allemaal toverij.
Beschrijving
Aan het einde van de Kleistraat had men in het donker een uitgeholde biet met een brandend kaarsje op de grond gezet. De mensen geloofden dat het toverij was.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
oost-vlaams (zuiden)
14A
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Mater   
Plaats van Handelen
Kleistraat (Mater)   

