Hoofdtekst
Ip d’hofstee van Van Dyckens, ’t was daar een maarte (meid) en ze moeste n’een kleinen hèn van dien boer die d’r neffens weunde. En ze maakte daar zo’n verdriet in, want een maarte trouwen met n’een boer, da goeng niet. En z’hèt heur opgehangen. En de paster kwam en je zei:"Da’s een spijtig geval en ’t gaan hier nog veel ongelukken gebeuren, maar ‘k en kanne daar niet aan doen." En waarlijk, korte tijd nadien, de zeune kwam were van den eersten oorlog en je gaat ne keer gaan jagen en je schiet hemzelve per ongelukke dood. En de vader ging met een karre hout weg en je viel van z’n karre en je wierd overreên van zijn eigen karre en de moeder maakte daar zo’n verdriet da ze alletwee dood waren en z’hèt nie lange nie meer geleefd. En per slot hèn ze nog van ’t hof gemoeten deur ulder n’een hond die baste (blafte) tegen den eigenare en ze wilden dien hond niet doodschieten. En z’hèn alles tegengekomen en de paster had da voorspeld.
Beschrijving
Op een boerderij werkte een meid die zwanger was van de buurman. De meid was doodongelukkig en hing zich op. Toen de pastoor ter plaatse kwam, zei hij: "Dat is een spijtig voorval. Hier zl nog meer ongeluk komen, maar ik kan dat niet verhinderen". Korte tijd nadien kwam de zoon van de boer terug van de oorlog. Toen hij ging jagen, schoot hij zichzelf per ongeluk dood. De boer ging met een kar hout op pad. Hij viel op de grond en werd door zijn eigen kar overreden. De boerin was zo ongelukkig dat ze zelf ook niet lang meer heeft geleefd. De mensen hebben hun boerderij bovendien moeten verlaten omdat ze weigerden om hun hond dood te schieten nadat die tegen de huisbaas had geblaft.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (o van houtland)
471
WOI
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Egem   
