Hoofdtekst
Doodkeersen, als je dat zag, je moste met de deure in je’n handen staan en winken derop en dat kam af en dat vloog [t]egen de deure. Dat zijn menschen die geld weggesteken hebben en dat geld niet bekend hebben aan een ander. Dat zijn al zielen die moeten weerekeren, dat is nu nog alzo en dat zal altijd alzo zijn. Je ziet dat altijd op en neere gaan, en je moet vragen voor wuk dat ze kommen. Ze zeggen nietend uit nulder eigen.
Onderwerp
SINSAG 0212 - Spötter pfeift Feuermann heran
  
SINSAG 0183 - Schatzfeuer zeigt die Stelle, wo der Schatz ruht.
  
Beschrijving
Als men naar een doodkeers had gewenkt, moest men snel naar binnen gaan en de deur dichtslaan. Doodkeersen waren de zielen van mensen die geld hadden verborgen en die dat aan niemand verteld hadden. Doodkeersen bewogen altijd op en neer. Men moest aan de lichtjes vragen wat ze wilden, want uit zichzelf vertelden ze dat niet.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
1.3 Vuurgeesten
west-vlaams (franse grens)
58
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Proven   
