Hoofdtekst
Nu zal ich oech (= U) nog vertellen wei ze aan hem (ge)komen zijn. Hij was aan 't labeuren in 't veld - het was ene boer, wor! - en doa kwamen twie gendäremen met hem, mè die waren in jager verkleed, en die vroegen hem: 'hoe (= hebt ge) genen haas gezien?' - 'Nein!' zeiter -'Dan zult zje o(n)zen haas wel zijn!' zeien ze, en ze deden hem de menotten aan en namen hem met. Toen flöddeter (= floot hij) nog op zijn hon(den), en he zei: 'As mijn hon(den) met mich waren, dan had zje mich rap gelos(t)!'
Onderwerp
SINSAG 1320 - Andere Räubergeschichten.   
Beschrijving
Toen Noë in het veld aan het werken was, kwamen er twee politieagenten voorbij, die zich als jagers hadden verkleed. De agenten vroegen aan Noë: "Heb jij geen haas gezien?", waarop de rover antwoordde: "Neen". Daarop zeiden de agenten: "Dan zal jij onze haas wel zijn!", en ze pakten de rover op.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
4. Historische sagen
limburgs (tongeren en omstreken)
1137
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Noë   
Naam Locatie in Tekst
Widooie   
