Hoofdtekst
We gonken mee ne man of tien uchteren. Dao stond een maân schoên appelen onder taofel. De dochter gaf ‘ter os allemaol iêne. Toen ich thuis kwam zeeën ze mich: "Moê gê uchteren göt, da’s een heks."Nen tijd nao daotum moest ’t pjeid veulen. ’s Nachts was ’t niks dan muziek van katten in de pjeidsstal. Iniêns komen mich de katten euver ’t bed gekropen. Ich pakte ’t er iên beet en iniêns was ich helegans nat. Toen waoren ze weg.
Onderwerp
SINSAG 0608 - Andere Begegnungen mit Hexentieren.
  
Beschrijving
Enkele mannen die ergens op bezoek waren geweest, hadden van de gastvrouw allemaal een appel gekregen. Toen de mannen terugkwamen, hoorden ze van iemand dat de gastvrouw een heks was. Een tijdje later moest het paard van één van de mannen een veulen werpen. De hele nacht hoorde men kattengejank in de stal. Plots voelde de man dat er allemaal katten over zijn bed kropen. De man greep de kat beet. Het volgende ogenblik was de man helemaal nat en was de kat verdwenen.
Bron
C. Ooms, Leuven, 1968
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (beringen en omstreken)
327
memoraat
Naam Locatie in Tekst
Paal   
