Hoofdtekst
46 B -En hij (de nonkel van de zegspersoon) komt van de trein en hij begint te stappen, te stappen, te stappen, allez hij geraakte nieverans niet en hij was g’heel zeker al twee, drie uren aan het stappen en met ene keer schiet hij daaruit en hij stond op het kerkhof te Zottegem.I -En dat was uw nonkel die dat voorhad?46 -Mijn nonkel ôt (had) dat voor, ja.I -En hoe is hij er dan uitgeraakt?46 -Hij weet dat zelf niet, met een keer stond hij daar aan het kerkhof te Zottegem en dat was al donker hé.47 -Dat is nog voorgevallen hé, “(an de maone bereên” (van de maan bereden).46 -Van de maone bereên hé.II -En dat is het kerkhof daar?46 -Het oud kerkhof, ja, aan de Groenstraat en daar stond hij jong, en hij wist niet hoe of wat hé!II -En waar woonde hij?46 -Op Bevegem.II -Op Bevegem.47 -Dat was nonkel Smet.46 -Nonkel Smet, ja, ja. Hij was van de maone bereên, zeiden de mensen zo.47 -Maar dat heb ik nog gehoord, van de maone bereên, “ik ben van de maone bereên geweest” dat is nog voorgevallen.I -En van de maar, hebt ge daar nog van gehoord?II -Gij zegt van de maone?46 -Maone, we zeiden: van de maone bereên.II -Maar niet van de maore?46 -Nee, van de maone.II -Maar ‘t zijn d’er die zeggen van de maore ook.47 -Ah, nee.46 -Maar dat kan dialect zijn.II -Maar hier in Zottegem ook.46 -Ja?I -Invloed van de maan?II -De een zegt van de maore, de andere zegt van de maone.I -Maar er is ook nog zoiets gelijk de maar.46 -(peinzend) De maore?I -Hebt ge daar nooit niet van gehoord?46 -Nee.I -En er is één informant Wilfried Cantaert, ik weet niet of ge die kent?46 -Ja!47 -Ja!I -Wel en die noemt dat: “het Manneken”.46 -Van het manneken bereden?I -Ja, zoiets.46 -Maar dat is ook de maan hé.47 -Dat zal ook maan zijn hé.I -Ja? Maar die vertelde dat dat zoiets was dat op u kroop ‘s nachts, dat u tracht te versmoren en zo.46 -Ja, ja, dat heb ik nog gehoord.II -Als ge zo een beklemming krijgt. Zou het dat zijn?46 -Een beklemming hé, ja, ja.I -Hebt ge daar zo geen verhalen over gehoord van mensen die dat voor ôn (voorhadden)?46 -Ja’k, ja’k, ja’k, Emilienne (Inf.48) heeft dat een keer voorgehad, nondietwee, hoe zit dat nu ‘t hoop? Ja, nu dat ge daarvan klapt.47 -Maar dat verhaal van mij dat ge daar zei ook hé, van die heks daar ginder, ik heb dus een kozen (kozijn) wonen in Herzele daar aan de vier wegen dat cafeetje daar, wel die is tien jaar ouder als ik en die weet dat nog allemaal goed te vertellen hé.II -Als het zo is, als ge naar Aalst toerijdt, is het op die hoek links daar?47 -D’er is daar maar één café.II -D’er is daar maar één, ah ja.46 -Wel ik ga een keer naar iemand bellen; Emilienne die weet dat van dat ... (stem sterft weg omdat de informante van ons toestelletje wegliep om de telefoon te halen.)47 -Dat is een Hillegemsen, dat is een kozijn van mij en die weet dat nog goed allemaal, hij weet dat nog allemaal goed te vertellen, want hij zei: “Tante Camilla was erbij als ze naar Affligem”, ik weet niet wie dat er nog ...II -Uw moeder en twee tantes.47 -Ja, zoiets. Of een nonkel.46 -Nu peins ik met een keer op haar en ik heb pertang (nochtans) al veel gepeinsd hé en met gij dat nu te vertellen en dat was ook een vrouw die dat in haar bed ‘s nachts gehad heeft en dat was iets dat rond haar b (informante wil “bed” zeggen, maar breekt het woord af), en dat is nog niet lang geleden ze (hoor), iets dat rond haar huis kroop.I -Rond haar huis?46 -Ja, och ja, ik ga een keer bellen. 46 -Ge moet het niet oppakken, want ik kan het niet juist vertellen.
Onderwerp
SINSAG 0291 - Mensch von Mahr beritten   
Beschrijving
Een man uit Bevegem die terugkwam van het station, raakte verdwaald. Hij doolde wel twee of drie uur rond om dan vast te stellen dat hij op het kerkhof van Zottegem stond. Die man was door de ‘mane’ bereden. Over de mane vertelde men ook dat ze de mensen ’s nachts besprong, zodat ze het gevoel hadden dat ze niet meer konden ademen.
Bron
C. De Winne, Leuven, 1999
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
oost-vlaams (groot-zottegem)
46B
Oom van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Zottegem   
Plaats van Handelen
Zottegem   
Bevegem   
