Hoofdtekst
a) Ze kunnen de wind doen keren als ’t dondert. Ze kunnen ook de beesten doen slapen op ’t veld, op de stikken: korenwormen, slekken en tettingen (pieren). Zij kunnen dat doen slapen, anders aten die beesten den tubak (tabak) op. M’hebben wij dat nog tegengekomen. Die beesten zijn niet dood, maar ze slapen. Ze kunnen geen kwaad meer. b) Op een hofstee konden ze niet karnen, ’t was schuim in de plekke van beuter. De koeien bleven in ’t kalveren. De enen zeien ’t zit in ’t ges (gras), d’andere zeien ’t zit in den aalpit. De kalvers waren ziek en klene, ’t waren lijk zwijnejongen. Den espèr (veearts) heeft gekomen en bloed getrokken, maar ’t hielp niet. Ten langen leste gingen ze naar Ieper naar de paters en ’t was gedaan.
Beschrijving
Tijdens een onweer konden geestelijken de wind doen draaien. Ze konden de wormen en slakken ook op het veld in slaap doen vallen, zodat ze de tabak niet konden opeten.
Op een boerderij waar men geen boter meer kon karnen en waar de koeien stierven tijdens het kalveren, zijn de paters van Ieper erin geslaagd een einde te maken aan het kwaad.
Op een boerderij waar men geen boter meer kon karnen en waar de koeien stierven tijdens het kalveren, zijn de paters van Ieper erin geslaagd een einde te maken aan het kwaad.
Bron
K. Erard, Leuven, 1966
Commentaar
2.2 Tovenaars
west-vlaams (ieper)
8
fabulaat
Naam Overig in Tekst
paters van Ieper   
Ieper (paters van)   
Naam Locatie in Tekst
Brielen   
Plaats van Handelen
Ieper   
