Hoofdtekst
’t Was toe (te) Koekelare, een keer een jongen, maar zijn name weet ik niet meer, en ’t was z’n tweede moeder en ze wilde zij hem niet meer bij haar hebben, en de vader moste (moest) die jongen verhuren, al was ’t aan de duivel zelve, zei ze, asten (als hij) maar weg was. Zodus je (hij) ging op stap met z’n vader door den bos van Wijnendale. En in ene keer (opeens) ze zagen daar iemand komen in de verte op een peerd. En asten dichter kwam, ze vroegen natuurlijk wien datten was en j’antwoordde: “goe volk”. En je (hij) vroeg ton (dan) “wat kom je gieder (jullie) nu hier zo late doen, in ’t bos?” En je (hij ) zegt: “’k moeten mijne zeune (zoon) gaan verhuren en je zegt: “maar waarom verhuur je gij hem aan mij niet?” - En je verhuurde hem aan een stijve (zeer) grote prijs. Maar die jongen zei: “vader, waarom verhuur je gij mij aan hem?” J’ (hij) hadde een voorgevoel. Je wierd toch verhuurd. Maar ze (zijn) vader mocht hem geen kruisje geven voor datten wegging, anders gingten (ging hij) niet kunnen meegaan. Zodus wasten verhuurd aan den duivel en gingten naar d’helle, je moeste portier zijn aan d’helle. Mijn moeder koste (kende) nog die name d’r van. Drie weken, of drie maanden isten daar geweest en de trappen waren beleid (belegd) met dokteurs en advokaten en prelaten en al grote koppen. Eén arme mens heeften binnengelaten, en ’t was ze mette (zijn meter). En ze zei: maar jongen toch, zei ze, wat kom je gij hier doen. En je (hij) zei datten verhuurd was aan de duivel. En de duivel heeft hem ton (dan) geslegen (geslagen). En j’is ene keer weregekeerd om een te halen van Brugge, dat moet een framasson geweest hebben. As ze (als zijn) dienst uit was, bracht de duivel hem were naar Wijnendale bos, waardat ze vertrokken waren. En j’heeft ton niet lange meer geleefd. ‘k Heb ik dat wel honderd keer gehoord van m’n moeder.
Onderwerp
SINSAG 0933 - Begegnung mit dem Teufel, welcher verschiedene Gestalten annimmt.   
Beschrijving
In Koekelare woonde een jongen wiens stiefmoeder tot zijn vader had gesproken: "Je moet hem bij iemand laten werken, al was het bij de duivel!" De jongen ging samen met zijn vader op pad door de bossen van Wijnendale. In de verte zag het tweetal een ruiter aankomen. De man op het paard vernam dat men op zoek was naar werk voor de jongen en stelde voor dat de jongen voor hem zou komen werken. Omdat de man een zeer goede verloning aanbood, stemde de vader in. Hij mocht zijn zoon echter geen kruisje geven vóór hij vertrok. Vervolgens werd de jongen door de duivel meegenomen naar de hel, waar hij portier moest zijn. De trappen van de hel lagen vol dokters, advocaten, prelaten en andere prominente figuren. De enige arme mens die de jongen in de hel moest binnenlaten, was zijn meter. Op een dag moest de duivel in Brugge een framasson gaan halen. Toen de jongen genoeg had gewerkt, werd hij door de duivel weer naar het bos van Wijnendale gebracht. De jongen heeft daarna niet lang meer geleefd.
Bron
J. Aspeslagh, Leuven, 1958
Commentaar
3.1 Duivels
west-vlaams (kamerlingsambacht)
286
Moeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Oostende   
Plaats van Handelen
Wijnendale   
Koekelare   
