Hoofdtekst
De gebuurs hadden ’n kind en ’t lag in de wiege. En ’t was al uren bezig met schremen. En ze verstonden er ulder niet aan want ’t schreemde anders nooit, dat kind. En achter ‘nen tijd gingen ze gaan kijken naar de wiege en ze zagen er ’n grote zwarte katte in liggen. En de vent pakte de katte en smeet ze buiten. Maar ’n letje later was ’t were klagen en schremen. En ze gingen were kijken, en die zwarte katte lag daar were. En de vent pakte ze nog ‘ne keer vaste en smeet ze buiten. En hij ging achter zijn gewere, hij schoot, en hij ging er naartoe, want hij had ‘ne schruwel gehoord. Maar hij zag ze niet meer, ze was ommeddekeer weg.En ’s anderdaags was ’t kind dood.
Beschrijving
In een gezin had men een klein kindje dat in de wieg lag. Omdat er een onophoudelijk gehuil te horen was, ging de vader in de wieg kijken en zag daar een grote zwarte kat liggen. De man gooide de kat buiten, maar een tijdje later lag ze opnieuw in de wieg. Voor de tweede keer gooide de man de kat buiten, en deze keer schoot hij naar het dier. De volgende dag was het kindje in de wieg dood.
Bron
F. Van Houdenhove, Leuven, 1967
Commentaar
1.4 Luchtgeesten
west-vlaams (tussen schelde en leie)
162
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Gijzelbrechtegem   
