Hoofdtekst
Iemand die ook toeren kon lappen was het Slom Harnas. Ze kwam van ’t vreemde en hield aan met een Ronsenaar. Ze ging zelfs niet naar de mis; voor die tijd betekende dat ’t een en ’t ander. Het vierde kind van Marie Liedje is door haar betoverd. Het Slom Harnas was komen kijken naar het kind. Ze maakte veel komplimenten: “Wat schoon kind!” En ze zou eens een mutseken brengen. Marie Liedje peinsde toen nog zo ver niet, maar van als ’t kind de muts op had, kreeg het de konvulskens, (stuipen) en in een niet van tijd was ’t dood. Marie Liedje heeft later een paasnagel kunnen krijgen. Een paasnagel heeft meesterschap over ’t kwaad, en als hij onder de zulle zit, kunnen de toveressen niet binnen. Natuurlijk, ’t is zeer moeilijk om aan zo een paasnagel te (ge)raken. De pasters houden die voor hun beste vrienden. Maar per hasard kende Marie Liedje iemand waarvan de zuster nog pastersmaarte geweest was, en langs daar kwam ze er toch aan… Dat is zeker: het Slom Harnas is nooit meer over de zulle gekomen.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
Een vrouw die een relatie had met een man uit Ronse en die niet naar de mis ging, beschikte over bijzondere krachten. Toen in Ronse een kindje was geboren, ging de vrouw daar op bezoek en zei: “Wat een mooi kindje!” Een tijdje later bracht de vrouw een mutsje voor het kind. Daarna kreeg het kind stuipen en stierf. Toen de arme moeder later een paasnagel onder haar drempel had gestoken, is de toveres nooit meer binnen geweest. Het was heel moeilijk om een paasnagel te bemachtigen, omdat de pastoors die zaken bewaarden voor hun beste vrienden.
Bron
M.-P. Kesteleyn, Leuven, 1964
Commentaar
2.1 Heksen
oost-vlaams (vlaamse ardennen)
235
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Ronse   
Plaats van Handelen
Ronse   
