Hoofdtekst
Op de molen gingen de pjaad (= paarden) altijd kapot. Ze hebben toen ene pater gehaald en weiter voor de staldeuropening stond - doa lag ene steen - 'breek hem op' zeiter, en toen zat doa een pad onder de steen. Dat was de mare wa op de pjaad kwam. Dan stonden ze doa dek (= dikwijls) nat vol zweet en de manen gestrikkeld (= verstrengeld). 'Hier is een heiligdom, zei de pater, dat moet zje in de opening leggen.' en toen is de pad kapot gegaan en ze hebben niks mee(r) aan de hand gehad.
Beschrijving
Omdat op de molen van Lauw alle paarden doodgingen, liet men een pater komen. De pater liet een steen voor de deur van de stal opbreken. Onder de steen vond men een pad. 's Nachts werden de paarden bereden door de maar, zodat de dieren 's ochtends helemaal bezweet en met gevlochten manen in de stal stonden. De pater gaf de boer een heiligdom om voor de deur van de stal te leggen. Kort daarna ging de pad dood en waren alle problemen opgelost.
Bron
M. Dreezen, Leuven, 1967
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
limburgs (tongeren en omstreken)
937
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Lauw-molen   
molen van Lauw   
Naam Locatie in Tekst
Lauw   
Plaats van Handelen
Lauw   
