Hoofdtekst
Dat was een oud wuf, en zij moeste gaan om water ’t halen, en ze moste gaan met ’t jok en tenen potten en ze ging en ze moeste opperwaarts gaan en als dat mensche deed om naar huis te komen, ze valt daar en ze begint alzo te gaan huilen en duvelen, en ze ging naar huis. Ze zeien dat ’t lijk een vergoeden (dolle) hond was. Dat mensche was zelve gegrepen van de dingen dat ze dei en z’heeft ziek gekommen en z’heeft daar ossan geduveld en ze kunde niet sterven, en de paster heeft gegaan. De paster ging en zegt’n: “’t Is hier etwod die er niet en mag zijn in julder huis”. ’t Was daar lijk een kastje in de muur en ’t waren daar een masse (veel) boeken daarin en de paster heeft dat al belezen en de paster zei: “’k Gaan die boeken meedoen”.En wat dat menhere paster ermee gedaan heeft ‘k en weten het niet, maar dat mensche bleef ziek en den paster ging erbij en de dokters gingen en ze kosten er nietend aan doen en z’heeft doodgegaan al huilen en duvelen en de paster heeft kunnen de benedictie geven en z’is toen doodgegaan.
Beschrijving
Een toveres die water was gaan halen, viel op de grond en begon te huilen en te schelden. De toveres was zo aangegrepen door haar eigen toverkracht dat ze ziek werd. Omdat de toveres niet kon sterven, heeft men de pastoor laten komen. De geestelijke sprak tot de vrouw: "Hier in huis is iets dat er niet mag zijn". In de muur was inderdaad een kastje waarin een stapel boeken lag. De pastoor heeft alles overlezen en hij heeft de boeken meegenomen. De toveres kon pas sterven nadat de pastoor haar had gezegend.
Bron
A.-M. Devynck, Leuven, 1965
Commentaar
2.1 Heksen
west-vlaams (franse grens)
333
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Houtkerke   
