Hoofdtekst
Daar was eens een sulleke van een jongen en die ging nooit ergens en toen kwam daar eens ene bij hem, die de naam had dat hij weerwolf was, en die vroeg: 'Hebt ge al een meisje?' - 'Neen, daar kan ik zonder' zei de jongen. - 'Ik zal u een bezorgen' zei de weerwolf. En toen de jongen op een avond buiten kwam, stond daar een schoon meisje, heel in 't wit, te wachten en die kwam in zijn arm hangen en ze ging mee. 'Ze keek toch zo vriendelijk onder mijn ogen in' vertelde hij. Maar hij dorst niets zeggen, de stommerik, en toen moest ze door gaan.
Onderwerp
SINSAG 00804   
Beschrijving
Een verlegen jongen die nooit ergens naartoe durfde te gaan, kreeg bezoek van een man over wie werd gezegd dat hij een weerwolf was. De man vroeg: "Heb je al een meisje?", waarop de jongen antwoordde: "Neen, ik heb geen meisje nodig." Desondanks beloofde de man dat hij de jongen een meisje zou brengen. Toen de jongen op een avond buiten kwam, wachtte er een mooi meisje op hem, helemaal in het wit gekleed. Het meisje wandelde een stukje met hem mee, maar de jongen was te verlegen om tegen haar te spreken. Na een tijdje zei het meisje dat ze weer verder moest.
"Ze keek toch zo vriendelijk in mijn ogen...", vertelde de jongen achteraf.
"Ze keek toch zo vriendelijk in mijn ogen...", vertelde de jongen achteraf.
Bron
F. Beckers, Leuven, 1947
Commentaar
1.6 Weerwolven
zuid-limburgs
Heksenmeesters doen de Witte Juffrouw komen: variante
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sluizen   
