Hoofdtekst
Hierboven in de Berg woor een grote wei en de pjad (de paarden) woren alle mirres (elke morgen) nat van de zweet en toen zegden ze 'Wat zal dat toch wel zijn dat de pjad zo nat van zweet zijn.' En toen goengen ze eens opletten 's nachts. Tussen twelf en een goengen de pjad (paarden) aan 't lopen en aan 't draven, maar de weien rond en dow heeft ene gezegd dat als ze nog eens begosten te lopen, dan moesten ze 't mes pakken en in de manen houwen en dan op 't pjad springen. En de volgende nacht hadden ze dat gedaan en in ene keer sprong do een (een vrouw) uit op een reep (ijzeren koepel) en ze sprong vort en 't pjad stond stil en 't woor gedaan.
Onderwerp
SINSAG 0580 - Andere Hexenkünste   
Beschrijving
In een weide in Berg waren de paarden elke ochtend helemaal bezweet. Wanneer men 's nachts de wacht hield in de weide, zag men dat de paarden om middernacht wild begonnen te draven. Toen men met een mes tussen de manen van het paard stak, viel er plots een vrouw op de grond.
Bron
W. Jackers, Leuven, 1958
Commentaar
2.1 Heksen
limburgs (bilzen)
290
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Gellik   
Plaats van Handelen
Berg   
