Hoofdtekst
T’was hier enen, en op ne keer had hij bomen geleverd voor zijn madam; en hij was betaald, en hij kwam af; en onder de bane vroeg er ene hoe dat ze mocht meegaan. “Ja, ja”. Maar ze zei: “Gij hebt bomen geleverd en ge hebt wreed veel geld.” En dat was waar. En den dien was benaat (bang). “Ge moet niet benaat zijn zelle, en ik zal u nog iet zeggen: ge hebt iemand die in uw familie alleen zit, en hij zal in ’t kort sterven.” En zijnen nonkel was’t; en hij is gestorven. En dat was just zelle!
Beschrijving
Een man die bomen was gaan leveren, kwam op zijn weg naar huis een vrouw tegen, die vroeg of ze mocht meerijden. De man stemde toe en kreeg te horen: “Jij bent bomen gaan leveren en je hebt heel veel geld op zak”. Toen de man bang werd, zei de vrouw: “Je hoeft niet bang te zijn. In je familie is iemand die alleen woont. Die persoon zal spoedig sterven”. Korte tijd later stierf een oom van de man.
Bron
M. Van Der Linden, Leuven, 1964
Commentaar
2.3 Toverboeken
oost-vlaams (denderstreek)
640
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Aspelare   
