Hoofdtekst
Mijn moeder heeft altijd horen vertellen van haar moeder, da ze ne keer mee haar wanten binnen gink.Maar nou, z’hâ haar een beetse verlaat, ’t was al in ’t valavend en z’haasteg’ haar. Maar in de Diepestrate te Sente- Gorens, - da es een strate mee azo twee grote, hoge borms -, hoort z’in ene keer azo iet achter haar.“Ha,” zegt ze, “wat es mij dat nou?” zegt ze en ze ziet azo ne grote weerwolf.Maar nou, z’hâ zij al horen vertellen da, as ge ne weerwolf tegenkwaamt, da ge moest een stikske goed laten vallen en da ze dat mee ouder tanden uitleiddegen.En diene weerwolf was abij tegen haar. En z’hâ aan haar snoerke van haren blauwen voorschoot een scheerken hangen, mee een koorde. Daarmee, ze pakt da scheerke en ze knipt da snoerken af en ze laat diene voorschoot vallen veur diene weerwolf. Daarmee, diene weerwolf heeft g’heel diene voorschoot moeten ontweven mee zijn tanden.En zij es aan ’t lopen gevallen, zoveel as da ze maar en koest. En juust tegen da z’aan de deure kwam van haar huis stond de weerwolf al achter haar. Da es echt gebeurd.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een vrouw hoorde bij valavond in de Diepestraat in Sint-Goriks-Oudenhove een geluid achter haar. De vrouw keek om en zag een grote weerwolf. Snel gooide de vrouw haar schort op de grond, zodat de weerwolf de stof moest uitrafelen en zijn kon weglopen. Toen de vrouw bij de deur van haar huis kwam, stond de weerwolf al achter haar.
Bron
R. De Geeter, Gent, 1952
Commentaar
1.6 Weerwolven
oost-vlaams (zuiden)
41
Grootmoeder van de informant
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Sint-Maria-Oudenhove   
Plaats van Handelen
Diepestraat (Sint-Goriks-Oudenhove)   
Sint-Goriks-Oudenhove   
