Hoofdtekst
Tovenaar houdt een wagen stil. Ze waren hier ne keer bezig met een voer vlas te laden en Peetje Rogge zat daarnevens op zijn land wat te wieden, en ze kwamen met een dreupelke, maar zij en presenteerden Peetje aleens geentje. Maar nu, als ze wilden aanzetten dat en wilde niet vooruit, zij hadden al bijna heel ulder aanschij kapotgetrokken, maar die wagen en wilde niet vooruit. Ten langen laatste zeiden zij : “Willen wij er een beetje aan steken en wij zullen aan Peetje vragen dat hij ook wat komt helpen”, en dat was goed, ze vroegen dat aan Peetje, maar ze schonken hem eerst een dreupelke en zij staken dan en hij liep bijna van zelve, achter dat zij eerst de helft kapot getrokken hadden.
Beschrijving
In Bevere was men een kar vlas aan het laden terwijl een man zijn nabijgelegen veld aan het wieden was. De mannen die met het vlas aan het werk waren, kregen een borrel, maar aan de man in het veld bood men niets aan. Toen men even later met de kar vol vlas wilde vertrekken, lukte dat niet; de kar kwam niet in beweging.
Bron
S. Bohez, Leuven, 1956
Commentaar
2.2 Tovenaars
oost-vlaams (tussen leie en schelde)
351
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Bevere   
Plaats van Handelen
Bevere   
