Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

RCELI0104_0105_565 - Geraamte duidt schat aan in het kasteel van Opitter

Een sage (mondeling), 1954

Hoofdtekst

In het kasteel van Opitter heeft het ook gespookt, 'nen ouwe mens van Opitter heeft me dat zelf verteld. Daar vlogen 's nachts de poorten open, en de deuren en de vensters, de schapen en alles liep rond en dat was me daar een lawijt... Daar dors niemand meer slapen, het spookte alle nachten. Toen was er eens ene van den troep teruggekomen, Jan heette die, en die was voor niks bang. Hij zou daar wel in gaan slapen, maar dan moest hij zich spekkoek kunnen bakken; hij moest 'nen aalijke pot deeg hebben. En hij aan 't koek bakken aan... Hij wil er zich enen bakken, maar ineens valt er 'ne mensekop in. Hij pakt er die uit en hij gooit hem in den hoek. Hij wil er zich weer ene bakken en toen valt er 'nen arm in. En toen een been, en 't leste den hele romp. Jan keek eens den hoek in, en toen was dat allemaal aaneen: toen was het 'ne mens geworden, en die wenkte hem dat hij moest komen. Maar Jan gong niet. 'Als ge mij vandoen hebt, dan komt ge maar zelf', zei hij. En hij kwam. En toen de kelder in. Hij wou Jan voorop doen gaan, maar Jan liet hem zelf voorop gaan. Toen wees hij Jan dat hij 'ne steen moest opheffen in de kelder, maar Jan liet het hem zelf doen. En daar zat drie vat geld in: één was voor Jan, één voor de pastoor, en één voor de kasteelheer. Daarom was die teruggekomen, want sinds toen hebben ze nooit niks meer gezien. En Jan had zich van dat geld een stuk in zijn botten gezopen. Toen hij bij mooier kwam, pakte hij het spinnewiel vast: 'Dat moet hier uit de kooi', zei hij. Maar zijn moeder weende. 'Daar heb ik u mee groot gebracht', zei ze. 'Och, 't is niks', zei Jan, en medeine gooide hij daar een heel vat geld henen.

Onderwerp

SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.    SINSAG 0401 - Der verborgene Schatz.   

Beschrijving

In het kasteel van Opitter spookte het. 's Nachts vlogen de poorten, deuren en ramen open en dan weerklonk er een hels lawaai. Op een dag wilde een zekere Jan, een moedige soldaat die net terug was uit het leger, in het kasteel overnachten. Toen Jan 's avonds in het kasteel koeken bakte, viel er plots een mensenhoofd in het deeg. Jan haalde de schedel uit het deeg, gooide hem in een hoek en bakte verder. Even later viel er een arm in het deeg, daarna een been en uiteindelijk zelfs een hele romp. Nadat Jan alle ledematen in de hoek had gegooid, zag hij dat ze aan elkaar waren gegroeid. Het geraamte wilde dat Jan dichterbij kwam, waarop de soldaat antwoordde: "Als je mij nodig hebt, dan moet je zelf maar komen." Het spook kwam dichterbij en leidde Jan naar de kelder. In de kelder tilde het geraamte een steen op, waaronder drie vaten geld verborgen zaten: één was voor Jan, één voor de pastoor en één voor de kasteelheer. Jan dronk zich met het geld een flink stuk in zijn kraag en ging daarna een nieuw spinnewiel kopen voor zijn moeder. Sindsdien heeft het in het kasteel van Opitter niet meer gespookt.

Bron

R. Celis, Leuven, 1954

Commentaar

1.4 Luchtgeesten
limburgs (bree en omstreken)
fabulaat

Naam Overig in Tekst

Jan    Jan   

kasteel van Opitter    kasteel van Opitter   

Naam Locatie in Tekst

Opoeteren    Opoeteren   

Plaats van Handelen

Opitter    Opitter