Hoofdtekst
Er was eens een kind dat bij zijn grootmoeder was, die geen familie meer had. En het was bij zijn grootmoeder grootgebracht. Dat is nog zo lang niet geleden, want mijn zuster werkte in Oudenaarde bij mensen en er was daar nog een andere vrouw, en het was die vrouw die dat vertelde. En dat moet aan de kanten van Kortrijk gebeurd zijn.En dat kind had een dik boek van haar grootmoeder mee, dat was op een boerderij. Dat kind had dat boek en als het tijd had, zat het in dat boek te lezen. Die boerin stond eens haar eieren te tellen om naar de markt te gaan en die eieren begonnen allemaal te dansen. En haar kind lag in de wieg, en plots lag het in de paardekrib. En de boerin dacht aan dat boek en ze deed de pastoor komen. Hij kwam en hij heeft dat boek meegenomen en het is gedaan geweest. Daaruit moeten we besluiten dat dat toch uit de boeken kwam.
Beschrijving
Een kind uit Kortrijk dat geen ouders meer had, was door zijn grootmoeder opgevoed. Het kind had van zijn grootmoeder een dik boek gekregen, waarin het vaak zat te lezen.
Toen een boerin op een dag haar eieren aan het tellen was, die ze naar de markt zou brengen, begonnen de eieren plots te dansen. Het kind dat even voordien nog in de wieg had gelegen, werd plots in de paardenkribbe aangetroffen. De boerin liet de pastoor komen, die het boek meenam. Daarna gebeurden daar geen vreemde zaken meer.
Toen een boerin op een dag haar eieren aan het tellen was, die ze naar de markt zou brengen, begonnen de eieren plots te dansen. Het kind dat even voordien nog in de wieg had gelegen, werd plots in de paardenkribbe aangetroffen. De boerin liet de pastoor komen, die het boek meenam. Daarna gebeurden daar geen vreemde zaken meer.
Bron
L. D'haeze, Leuven, 1975
Commentaar
2.3 Toverboeken
oost-vlaams (zuiden)
72F
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Edelare   
Plaats van Handelen
Kortrijk   

