Hoofdtekst
Een jongen en een meisje gingen eens uit. Toen ze onderweg kwamen zei de jongen: 'Ik moet eens wateren gaan, maar wacht maar een beetje op me, ik kom seffens. Maar als daar soms een weerwolf op u afkomt', zei hij. Tja, toen gaf hij zijn rode zakdoek aan haar. 'Ge moet maar met die rode zakdoek in zijn tanden houwen, dan loopt hij weg.' En toen het meisje dacht: die jong blijft toch zo lang en toen daarbij kwam die weerwolf op haar af en het had al schrik en toen sloeg het hem in zijn bakkes, wor, met die rode zakdoek, en toen was hij ook weer weggegaan. Tja, toen een hotje (= tijdje) daarna, toen kwam die jongen terug en toen zei het meisje: 'Daar is een weerwolf gekomen en ik heb hem met de rode zakdoek in zijn tanden gehouwd.' Ja, dat was goed. Toen ze bij het meisje thuiskwamen, waren ze aan 't kallen en aan 't lachen., ja. Toen lachte hij en toen had hij de stukken van de rode zakdoek in zijn tanden steken. Toen wisten ze dat hij de weerwolf geweest was. Daar weet zeleven geen mens of dat echt geweest is. Daar waren zo maar mensen die dat... Als ge nu denkt ik ga weerwolf spelen en ge meent op 't laatste dat ge een weerwolf zijt, wor, en dan 's avonds maar uw bed uit en de mensen naar alle kanten bang maken.
Onderwerp
SINSAG 0823 - Das zerbissene Tuch.   
Beschrijving
Een jongen die samen met zijn vriendin aan het wandelen was, sprak opeens: "Wacht hier even, want ik moet even gaan plassen. Als er een hond op je af zou komen, gooi dan deze rode zakdoek naar zijn muil". Zodra het meisje een weerwolf zag aankomen, deed ze wat haar was aangeraden. Een tijdje later kwam haar vriend terug. Toen het tweetal in het huis van het meisje was aangekomen, lachte de jongen naar zijn vriendin. De vezels van de zakdoek zaten nog tussen zijn tanden.
Bron
W. Achten, Leuven, 1971
Commentaar
1.6 Weerwolven
midden-limburgs
a
fabulaat
Naam Locatie in Tekst
Diepenbeek   
