Hoofdtekst
’t Was daar ne vent en je ging naar Ruddervoorde naar zijn werk. En je passeert daar aan een hof en de koeien zaten daar ip de veust (nok) van ’t dak. En je gaat da gaan zeggen tegen dien boer. En dien boer gaat naar de paters van Steenbrugge en ze komen mee. En ze vroegen waar dat ’t verste van zijn land was en ze droegen da kwaad weg en da ging alle jaren e peersvoet (stompvoet, horrelvoet, misvormde voet) nadren. En da was daarmee gedaan.
Beschrijving
Een man die naar zijn werk in Ruddervoorde ging, kwam voorbij een boerderij waar de koeien op de nok van het dak zaten. De man waarschuwde de boer, die onmiddellijk de paters van Steenbrugge ging halen. De paters hebben het kwaad dan verbannen naar het verste uiteinde van het veld. Ieder jaar zou het kwaad een 'peersvoet' (1) dichterbij komen.
Bron
P. Vandewalle, Leuven, 1968
Commentaar
west-vlaams (o van houtland)
456
fabulaat
(1) peersvoet: stompvoet, horrelvoet, misvormde voet
Naam Overig in Tekst
Steenbrugge (paters van)   
paters van Steenbrugge   
Naam Locatie in Tekst
Egem   
Plaats van Handelen
Ruddervoorde   
Steenbrugge   
