Hoofdtekst
Osschaart, be jaak ‘k hem daar van gehoord. Osschaart, dat hij dikkels (dikwijls) over de bane ging bij een lange keten aan zijn gat. Mandus Temmers ging altijd naar ’t scheerhuis de zaterdagavond. En van tien keers negen zag hij nen groten grijsden hond. En Mandus zei ton (dan): "Oh Kerle, zeije daar were, gaje een ende mee?" En hij ging op den andren kant van de bane en ot hij aan zijn hof kwame die beeste sprong in ’t watre en hij en zag niets niet meer. Maar hij had altijd een keten bij hem (zich) dienen hond, en dat was een grote grijsde beeste.
Onderwerp
SINSAG 0256 - Plagegeist (in Tiergestalt) erschreckt späten Wanderer (und begleitet ihn).
  
Beschrijving
Osschaart liep vaak over straat met een lange ketting. Een man die zich op zaterdagavond altijd ging laten scheren, zag vaak een grote grijze hond met een ketting. De hond liep met de man mee tot de man thuis was. Daar sprong de hond in het water en verdween.
Bron
O. Mattheeuws, Leuven, s.d.
Commentaar
1.5 Plaaggeesten
west-vlaams (grens oost- en zeeuws-vlaanderen)
95
fabulaat
Naam Overig in Tekst
Osschaert   
Naam Locatie in Tekst
Oedelem   
