Hoofdtekst
II. Sprekende vissen. Bij "Klein Melenborg" lag een grote plas die rijk was aan vis. Een hartstochtelijk visser ging op zondag vissen en bemerkte dat er een grote snoek zat van ongekende omvang. Het levend aas werd telkens van de angel gehaald, maar de snoek liet zich niet vangen. De visser ging in een bootje zitten, midden op de plas en wierp weer het vissnoer in.
"Eindelijk" riep de visser uit "heb ik je beet". Het monster spartelde uit alle macht en riep: "Of ik heb jou". Hij trok de visser in het water en juist luidde de kerkklok voor de hoogmis, de laatste mis van die dag. De visser werd zo bestraft, omdat hij de zondag niet geheiligd had. De visser verdween in de diepte en nooit heeft men hem teruggezien. Zijn naam was: Hendrik van Halen.
"Eindelijk" riep de visser uit "heb ik je beet". Het monster spartelde uit alle macht en riep: "Of ik heb jou". Hij trok de visser in het water en juist luidde de kerkklok voor de hoogmis, de laatste mis van die dag. De visser werd zo bestraft, omdat hij de zondag niet geheiligd had. De visser verdween in de diepte en nooit heeft men hem teruggezien. Zijn naam was: Hendrik van Halen.
Beschrijving
Visser die op zondag onder de hoogmis vist wordt door grote snoek water in getrokken en verdrinkt.
Bron
Collectie Linssen, verslag 45, verhaal 2 (Archief Meertens Instituut)
Naam Overig in Tekst
Klein Melenborg   
Hendrik van Halen   
Plaats van Handelen
Haelen   
