Hoofdtekst
Toverij Een scheper (schapenherder) had van de boer de opdracht gekregen om de mesthopen op het land te spreiden. De scheper kende duivelskunsten. Hij spreidde zijn jas uit op de grond en terwijl hij dat deed, waren ook alle mesthopen gespreid. Op zekere dag was de scheper door een vriend beledigd. Hij zou hem daarvoor een flinke afstraffing geven.
Hij spreidde zijn jas weer uit op de grond en terwijl hij dat deed ging ook zijn zijn vriend die hem beledigd had tegen de vlakte.
De scheper nam zijn schepersschop, gaf hem een duchtige afranseling zodat zijn vriend nooit weer de moed gehad heeft, hem te beledigen.
Hij spreidde zijn jas weer uit op de grond en terwijl hij dat deed ging ook zijn zijn vriend die hem beledigd had tegen de vlakte.
De scheper nam zijn schepersschop, gaf hem een duchtige afranseling zodat zijn vriend nooit weer de moed gehad heeft, hem te beledigen.
Onderwerp
SINSAG 0686 - Die aufgebundenen Bohnensträucher. Durch Zauberformel aufgebunden, so dass der Knecht nach der Kirmes gehen kann.   
SINSAG 0750 - Andere Zauberei.   
Beschrijving
Door spreiden van jas op de grond laat tovenaar mest verspreiden; door spreiden van jas op de grond valt iemand die hem heeft beledigd.
Bron
Collectie Linssen, verslag 102, verhaal 8 (Archief Meertens Instituut)
