Hoofdtekst
"In het begin van 1249, het zes en tachtigste na de Julianavloed, het vijf en vijftigste na de Sint Nicolaasvloed, het een en dertigste na de Marcellusvloed en het derde na de vloed van Lucas de Evangelist, de negentiende van de maan, op het feest van Johannes de Evangelist nam de westenwind, in tegenstelling met de zachtheid die hem eigen is, bulderend als een noordenwind 's nachts verschrikkelijk toe en werd in de voornacht zo sterk dat in tijden zo'n geraas van winden niet is gehoord. Van veel huizen werden de daken afgerukt, sommige, zelfs nieuwe en sterke, stortten in en alom werd niets vernomen dan leed en droefenis. Voorts werd rond middernacht een schittering in de lucht gezien, die enigszins fonkelde. Sommigen meenden dat het de bliksem was, maar er volgde geen donder op. Anderen meenden dat het een draak was. Hierover zegt Isidorus in zijn Boek der Oorsprongen dat hij gewoonlijk vurig van natuur is en in stormen opkomt. Maar daar hij in het heetste gedeelte van Ethiopië pleegt geboren te worden en te leven, willen wij liever bescheiden in het midden laten wat voor schittering dit was dan er vermetel een oordeel over uit te spreken. Dit echter hebben wij vernomen dat in geheel Friesland, overal waar hij gezien werd, iedereen hem op een afstand van een worp van een blijde waarnam en dat hij daar in de aarde verdween. Bij het eerste hanengekraai volgde op de westen- de noordenwind, die ten westen aan de noordwester grenst en zo brak de onstuimigheid van de zee de dijken, het water bedekte het land en overal was droefheid en zuchten, omdat de Heer aldus de kastijdingen vermenigvuldigde. Maar de vader der barmhartigheden, de god aller vertroosting, die zich vertoornt en ontfermt, verzachtte zijn toorn midden in de kastijding, want indien de noordenwind de westenwind even te voren had vervangen, tijdens de hoogste stand van het zeewater, en met even veel geweld doorgegaan was zou Friesland nauwelijks zijn blijven bestaan."
Onderwerp
SINSAG 1346 - Drache steigt aus der Erde empor und verschwindet an derselben Stelle.   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Le Goff onderscheidt in zijn studie St. Marcel de Paris et le dragon twee grote traditiestromen met betrekking tot draken in de Middeleeuwen, een volkse en een kerkelijke. De volkse traditie gaat terug op een oeroude voorstelling, de draak als inkarnatie van de natuurkrachten, die de mens zowel voorspoed als ellende kunnen brengen. De in de middeleeuwse kerk dominante traditie is een afsplitsing hiervan. In deze traditie staat de draak voor het kwaad, is hij identiek met de duivel. Deze tweedeling is de, overigens heel losjes en ondogmatisch gehanteerde rode draad die door Le Goffs barokke dossier loopt.
De middeleeuwse duivelsdraak gaat vooral terug op Openbaringen 12:9, waar over de draak, die Maria aanvalt en door Michael en de zijnen verslagen wordt, gezegd wordt: 'En de grote draak werd [op de aarde] geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan die de gehele we reId verleidt'. Deze tekst, waarin draak en duivei gelijkgesteld worden, heeft in de middeleeuwse literatuur de meeste sporen nagelaten. Daarnaast komt men ook andere bijbelse draken bij de middeleeuwse schrijvers tegen. Zo citeert Menko in een passage, waarin hij het heeft over politieke ontwikkelingen in de mohammedaanse rijken van het Nabije Oosten, Jesaja 13:21, waar over Babylon geprofeteerd wordt: 'Replebuntur domus draconibus' (de huizen zullen door draken bewoond worden).
Een andere drakentraditie in de geschriften van middeleeuwse geestelijken, horend tot de kerkelijke traditie in ruimere zin [...] is de pseudo-wetenschappelijke. Deze begint bij Isidorus van Sevilla, de invloedrijke kompilator van laatantieke kennis. Isidorus zegt over de draak dat hij de grootste der dieren is. Hij leeft in de lucht; dan volgt de beschrijving die we al kennen uit Menko's aanhaling. Er zijn volgens Isidorus ook zeedraken. Hij kent de draak verder als schatbewaarder en als militair teken. Dit laatste voert hij terug op de overwinning van Apollo op de slang Python. Tenslotte noemt hij de draak, die in zijn eigen staart bijt, teken van de eeuwig weerkerende tijd, die volgens hem uit de Egyptische kultuur voortkomt. Menko haalt dus uit Isidorus alleen dat aan wat hem m.b.t. de drakenverschijning van 1248 van belang leek."
Naam Overig in Tekst
Friesland   
Ethiopië   
Sint Nicolaasvloed   
Marcellusvloed   
Lucas de Evangelist   
Johannes de Evangelist   
Isidorus van Sevilla   
Boek der Oorsprongen (Etymologiae)   
Naam Locatie in Tekst
Friesland   
Plaats van Handelen
Wittewierum (Fivelgo, Groningen)   
