Hoofdtekst
Mensen, die speelkaarten voor zich kunnen laten werken:
Als er vroeger in de buurtschap iemand stierf, moesten de mannen met 4 of 5 de “doeëjewacht haoje” bij het lijk in de sterfkamer. Zo zaten daar op een keer 5 mannen bijeen, en, en, - omdat ze van de hele nacht bidden blaren aan de lippen dreigden te krijgen -, kortten ze hun tijd, met stil wat te kaarten. Ze hadden als hartversterking een hele fles cognac meegekregen. Daar deze erg goed smaakte, was de fles gauw leeg, en iemand verzuchtte: “Ich wooj nag gèèr ’n flèès nieje; as ter mer aan te kome waas! Hè dao es toch doeëd; en ’t zit ter heij wel aan. We blieve ’n toch auch good beij um op!”
Een van de mannen zei: “Ich zat ens zorge’n, det ter ein niej kumptj. Legktj te kaart mer ens neer!”
Hij trok er een kaart uit, (welke is niet bekend), en stak die door het raam buiten, en zei: “Noe kumptj de flèès. De man’, dè ze bringtj zeetj ge neet. De flèès geitj drie kieër um uch hèèn. Ge kontj ze zoeë griepe. Mer; as ge ze d’n derdje kieër neet gepaktj höbtj, bèn ich ongelökkig. Dan wuudtj ze op miene kop kepot gesjlage!”
De fles kwam de kamer in, en zweefde op manshoogte rond achter de aan tafel zittende mannen. Deze waren zo verschrikt, dat ze er niet naar durfden grijpen. De duivelskunstenaar brak het angstzweet uit. Op het allerlaatste moment greep een der mannen ze. De man riep verlicht uit: “Waat é gelök! Waat e gelök! Dao ligktj al eine ’n doeëje; en dan waas ich ten twieëdje gewore!” Ze dronken in de loop van de nacht deze fles lekker leeg, en, toen eindelijk de morgen aanbrak, gingen ze huiswaarts, en durfden er niet meer over te spreken.
Geen omzetting in dialect van het verhaal door Engels.
Als er vroeger in de buurtschap iemand stierf, moesten de mannen met 4 of 5 de “doeëjewacht haoje” bij het lijk in de sterfkamer. Zo zaten daar op een keer 5 mannen bijeen, en, en, - omdat ze van de hele nacht bidden blaren aan de lippen dreigden te krijgen -, kortten ze hun tijd, met stil wat te kaarten. Ze hadden als hartversterking een hele fles cognac meegekregen. Daar deze erg goed smaakte, was de fles gauw leeg, en iemand verzuchtte: “Ich wooj nag gèèr ’n flèès nieje; as ter mer aan te kome waas! Hè dao es toch doeëd; en ’t zit ter heij wel aan. We blieve ’n toch auch good beij um op!”
Een van de mannen zei: “Ich zat ens zorge’n, det ter ein niej kumptj. Legktj te kaart mer ens neer!”
Hij trok er een kaart uit, (welke is niet bekend), en stak die door het raam buiten, en zei: “Noe kumptj de flèès. De man’, dè ze bringtj zeetj ge neet. De flèès geitj drie kieër um uch hèèn. Ge kontj ze zoeë griepe. Mer; as ge ze d’n derdje kieër neet gepaktj höbtj, bèn ich ongelökkig. Dan wuudtj ze op miene kop kepot gesjlage!”
De fles kwam de kamer in, en zweefde op manshoogte rond achter de aan tafel zittende mannen. Deze waren zo verschrikt, dat ze er niet naar durfden grijpen. De duivelskunstenaar brak het angstzweet uit. Op het allerlaatste moment greep een der mannen ze. De man riep verlicht uit: “Waat é gelök! Waat e gelök! Dao ligktj al eine ’n doeëje; en dan waas ich ten twieëdje gewore!” Ze dronken in de loop van de nacht deze fles lekker leeg, en, toen eindelijk de morgen aanbrak, gingen ze huiswaarts, en durfden er niet meer over te spreken.
Geen omzetting in dialect van het verhaal door Engels.
Onderwerp
SINSAG 0685 - Pikbube als Helfer.   
Beschrijving
Tovenaar laat speelkaart een fles drank halen.
Bron
Collectie Engels, verslag 27, verhaal 7 (Archief Meertens Instituut)
