Hoofdtekst
Voortekenen:
Op 10 oct. 1944 werd ik bij een razzia door Duitsers opgepikt, en als dwangarbeider tewerkgesteld aan een kunstmestfabriek in Bodenwerden, in het Weserdal, in de buurt van Holzminden en Hamelen. Ik heb me daar altijd verbaasd over de gering ontwikkeling, en de grote bijgelovigheid van de, overwegend protestantse bevolking aldaar. Overal zag men boven of langs achterdeuren, - zelfs aan de fabrieken -, witgekalkte kruisen, die nog regelmatig bijgewerkt werden. Even vóór de ineenstorting, - toen de geallieerden doorstieten in het Rijnland -, bleek, dat ze nog te dom, of te apatisch, waren, om te beseffen, dat dit een deel van hun eigen land was. Inzake bijgelovige dingen kon een goed verteller bijna alles aan hen kwijt voor waarheid. Nagenoeg niemand ging meer naar de kerk. Hun “Pastor” was ingelijfd bij de “Folkssturm”, en liep met een geweer over de straat. Dit gewillig in het gareel lopen van hun herder zette veel kwaad bloed bij de bevolking, die oorlogsmoe was.
De fabriek lag op een hoogte, en het dorp in het rivierdal. Op een dag hing er een mistig waas over het dal, waardoor het dorp aan het oog onttrokken werd. Een paar bijgelovige Duitsers beweerden, dat er iets in de lucht hing van een onheilspellende gebeurtenis. Iedere Duitser kwam er van onder de indruk. Ik zei: “Als jullie menen, dat er iets is, ga dan eens kijken!”
Doch niemand durfde. “Dan zal ik wel eens gaan kijken!”
Dit vond de opzichter goed, en ik daalde af naar het dorp. Toen ik op de markt, vóór de kerk kwam, zag ik daar een groep S.S.ers in een paar vrachtwagens klimmen, en wegrijden. Niemand van de omwonenden was te zien. Opeens zag ik drie mannen aan de takken van een oude boom hangen. Dit was pas gebeurd. Voorzichtig kwamen de omwonenden uit hun huizen, en, bij dit luguber gezicht, hun armen omhoog steken, en krijsend van afgrijzen verdwijnen. Ofschoon vol walging, was mijn gevoel, - door de doorstane tyranie en honger; en door een gevoel van triomf -, zodanig verhard, dat ik in staat was, de slachtoffers te gaan bekijken. Het waren burgers, die ook voor de dorpsbewoners onbekend waren. Eén der slachtoffers; een deftig man met een “tumpkeskraag”, droeg een bord om zijn hals, waarop te lezen stond: “So straft man den verräter.”
Geen omzetting in dialect van het verhaal door Engels.
Op 10 oct. 1944 werd ik bij een razzia door Duitsers opgepikt, en als dwangarbeider tewerkgesteld aan een kunstmestfabriek in Bodenwerden, in het Weserdal, in de buurt van Holzminden en Hamelen. Ik heb me daar altijd verbaasd over de gering ontwikkeling, en de grote bijgelovigheid van de, overwegend protestantse bevolking aldaar. Overal zag men boven of langs achterdeuren, - zelfs aan de fabrieken -, witgekalkte kruisen, die nog regelmatig bijgewerkt werden. Even vóór de ineenstorting, - toen de geallieerden doorstieten in het Rijnland -, bleek, dat ze nog te dom, of te apatisch, waren, om te beseffen, dat dit een deel van hun eigen land was. Inzake bijgelovige dingen kon een goed verteller bijna alles aan hen kwijt voor waarheid. Nagenoeg niemand ging meer naar de kerk. Hun “Pastor” was ingelijfd bij de “Folkssturm”, en liep met een geweer over de straat. Dit gewillig in het gareel lopen van hun herder zette veel kwaad bloed bij de bevolking, die oorlogsmoe was.
De fabriek lag op een hoogte, en het dorp in het rivierdal. Op een dag hing er een mistig waas over het dal, waardoor het dorp aan het oog onttrokken werd. Een paar bijgelovige Duitsers beweerden, dat er iets in de lucht hing van een onheilspellende gebeurtenis. Iedere Duitser kwam er van onder de indruk. Ik zei: “Als jullie menen, dat er iets is, ga dan eens kijken!”
Doch niemand durfde. “Dan zal ik wel eens gaan kijken!”
Dit vond de opzichter goed, en ik daalde af naar het dorp. Toen ik op de markt, vóór de kerk kwam, zag ik daar een groep S.S.ers in een paar vrachtwagens klimmen, en wegrijden. Niemand van de omwonenden was te zien. Opeens zag ik drie mannen aan de takken van een oude boom hangen. Dit was pas gebeurd. Voorzichtig kwamen de omwonenden uit hun huizen, en, bij dit luguber gezicht, hun armen omhoog steken, en krijsend van afgrijzen verdwijnen. Ofschoon vol walging, was mijn gevoel, - door de doorstane tyranie en honger; en door een gevoel van triomf -, zodanig verhard, dat ik in staat was, de slachtoffers te gaan bekijken. Het waren burgers, die ook voor de dorpsbewoners onbekend waren. Eén der slachtoffers; een deftig man met een “tumpkeskraag”, droeg een bord om zijn hals, waarop te lezen stond: “So straft man den verräter.”
Geen omzetting in dialect van het verhaal door Engels.
Onderwerp
SINSAG 0487 - Vorbedeutung anderer Ereignisse.   
Beschrijving
Persoonlijk verhaal over verbazing over volksgeloof in een Duitse plaats, de houding van de bevolking.
Bron
Collectie Engels, verslag 28, verhaal 11 (Archief Meertens Instituut)
