Hoofdtekst
Alvermênnekes
Verschrikkelijk lang geleden, zo vertelde Kulhannes, woonden er in Liemt vele alvermênnekes. In de Scheeken, de Geelders, op Velderen, op de hei van het Lagevoort, tussen het grove gras van het Broek en in het bos, dat tegen Kleinder Liemt aanlag, hadden ze hun nestjes. Ook woonden ze bij deze of gene boer in de hooiberg, de stromijt, in de stal of in een donker hoekje van de schuur. Zonder dat iemand er iets van merkte, sliepen ze overdag onder een beetje strauwsel, 'n haffelke stro of 'n kwakske hooi. 's Avonds als de kinderen droomden en 's nachts als ook de grote mensen in de bedstee op 'ne kafzak lagen te slapen, werkten ze. Of ze haalden ergens de een of andere streek uit, "want, za'k mêr zeggen", zei Kulhannes, "ge hâd werkkabouters en prulmênnekes".
De prulmênnekes waren versakkese klootmênnekes. Ze haalden allerlei prulderij uit. Als ze konden, joegen ze iemand de stuipen op 't lijf. Vooral mensen, die krenterig deden, graag iemand kulden of meenden, dat ze meer waren dan 'ne kromme varkensstaart, namen ze in de tang. De kloterige prulkabouters haalden echter nooit iets weg. Dat deden ze niet. En ze maakten ook nooit iets kapot. Dat niet, maar ze konden, als 't in hunne spijker schoot, nergens afblijven.
De werkkabouters vormden een heel ander volkje. Die prulden niet, die werkten. Met een grote tipse muts op en met hun doordeweekse kleren en puntschoenen aan hielpen ze 's nachts deze of gene klompenmaker of boer bij zijn werk. Meestal 'nen boer of klompenmaker, die ziek of gebrekkig was, met zijn werk niet klaar kon komen of om de een of andere reden zich tot die alvermênnekes aangetrokken voelde.
Verschrikkelijk lang geleden, zo vertelde Kulhannes, woonden er in Liemt vele alvermênnekes. In de Scheeken, de Geelders, op Velderen, op de hei van het Lagevoort, tussen het grove gras van het Broek en in het bos, dat tegen Kleinder Liemt aanlag, hadden ze hun nestjes. Ook woonden ze bij deze of gene boer in de hooiberg, de stromijt, in de stal of in een donker hoekje van de schuur. Zonder dat iemand er iets van merkte, sliepen ze overdag onder een beetje strauwsel, 'n haffelke stro of 'n kwakske hooi. 's Avonds als de kinderen droomden en 's nachts als ook de grote mensen in de bedstee op 'ne kafzak lagen te slapen, werkten ze. Of ze haalden ergens de een of andere streek uit, "want, za'k mêr zeggen", zei Kulhannes, "ge hâd werkkabouters en prulmênnekes".
De prulmênnekes waren versakkese klootmênnekes. Ze haalden allerlei prulderij uit. Als ze konden, joegen ze iemand de stuipen op 't lijf. Vooral mensen, die krenterig deden, graag iemand kulden of meenden, dat ze meer waren dan 'ne kromme varkensstaart, namen ze in de tang. De kloterige prulkabouters haalden echter nooit iets weg. Dat deden ze niet. En ze maakten ook nooit iets kapot. Dat niet, maar ze konden, als 't in hunne spijker schoot, nergens afblijven.
De werkkabouters vormden een heel ander volkje. Die prulden niet, die werkten. Met een grote tipse muts op en met hun doordeweekse kleren en puntschoenen aan hielpen ze 's nachts deze of gene klompenmaker of boer bij zijn werk. Meestal 'nen boer of klompenmaker, die ziek of gebrekkig was, met zijn werk niet klaar kon komen of om de een of andere reden zich tot die alvermênnekes aangetrokken voelde.
Beschrijving
Algemeen over alvermênnekes: ge hâd werkkabouters en prulmênnekes
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 21
Commentaar
voor 1992
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Kleinder Liemt   
de Geelders   
Velderen   
Lagevoort   
Naam Locatie in Tekst
Broek   
de Scheeken   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
