Hoofdtekst
Kulhannes had op de taalschool bij meester Goossens een kaboutervers geleerd. Hij kende het helemaal uit zijn hoofd.
Hebt gij ooit van den tijd der Kabouters gehoord?
Dat was toen een leventjen, één in zijn soort.
Bijvoorbeeld, een knecht had aan 't werken een mier
En deed niets dan luieren of nam zijn plezier
Dan kropen des nachts, zoo heel onverwachts
De dwergjes als mieren, door gaten en kieren
Krioelden en woelden,
En hipten en draafden en zwoegden en slaafden.
En 's morgens, reeds voor het gekraai van den haan
Vond ieder zijn werk door Kabouters gedaan.
De schoenmakersknecht stak zijn els in het spek,
En dacht, wie op Maandag nog werkt is een gek.
Kaboutertjes kwamen en namen den schoen,
En keken wat lapwerk er viel aan te doen:
Zij maakten een draad en spanden den naad
En pikten en prikten en stikten en flikten
En tikten en likten
En wreven en wasten en poetsten en pasten.
En voordat de baas uit zijn bed was gestapt,
Was alles aan de schoenen en laarzen gelapt.
De timmermansknecht schofte zes uur per dag,
En kroop in de krullen, als niemand het zag.
Desnachts zocht het volkje den winker in 't rond,
Of 't iets te karweien, te knutselen vond:
't Nam hamer en bijl en beitel en vijl
En dan aan het kloppen op nagels met koppen,
Aan 't dragen en zagen
En schaven en spalken van planken en balken
En kwam de baas kijken, hoe 't stond met de zaak
Dan vond hij de spullen perfect in den haak.
Het ging bij de slager precies even zoo,
Want lag nog zijn knecht als een luilak op stroo.
Dan kwamen de kereltjes vlug op een draf,
En slachten 't varken en hieuwen 't af.
Verdeelden het net in reuzel en vet.
En haakten de hammen en zijden aan krammen.
En hutsten en klutsten
En stopten met vulsel het vliezige hulsel.
En ziet: als de baas uit zijn legerstee kroop
Daar hingen reeds metworst en bloedworst te koop.
Den bakker trokken ze ook flink uit de nood,
Ze wanden het koren en bakten het brood.
En draaide de knecht zich nog om op zijn zij,
Dan was het al druk in de broodbakkerij.
Zij haalden den rog en vulden den trog,
En keerden en wroeten met handen en voeten,
En smakten en kwakten
Het baksel en schoven het wip! in den oven.
En als nu de baas uit de bedstee schoot
Lag reeds op de toonbank het verschbakken brood.
De wijnkopersknecht liet zijn werk er op staan.
En 't kwam hem zoo nauw op een glaasje niet aan.
En kreeg hij een roes weg, en sloeg hij er neer,
Dan waren de mannetjes druk in de weer.
Zij tapten het nat en zwavelden het vat
en dreven de sponnen en rolden de tonnen,
Zij hurkten en kurkten
De fleschen en lakten en pakten en plakten.
Zoodra weer de dag door het keldergat scheen
Zag nuchtere Klaas alles klaar om zich heen.
Een kleermaker had het eens vreselijk druk.
Want morgen moest klaar zijn, een vest, broek en rok.
Zijn knecht was aan 't zwieren, de pet op een oor.
Maar 's nachts kwam het volkje met persplank en schaar.
Het kruiste de beenen en begon zoo meteen
Te snijden, te schikken, te naaien, te stikken,
Te lasschen, te passen
Te persen, te boorden met linten en koorden,
"Och vrouw!", riep de baas uit zijn bed, "dat valt mee;
Het pak ligt al klaar in nieuwmodische snêe".
De kleermakersvrouw, een nieuwsgierige Trijn,
Zei stil bij zich zelven: "Wat mag dat toch zijn?"
Zij strooide grauwe erwten en hield toen de wacht.
Daar kwamen de snijdertjes, koesjes en zacht.
Maar ach wat een kruis, vol bommen het huts.
Ze stieten hun schenen en kneusden de benen.
Al schomm'lend en stomm'lend
En tolden en rolden en jolden en scholden.
De vrouw, één, twee, drie, steekt het nachtkaarsje aan
En pst! al het volkje opeens naar de maan.
Hoe jammer, wij zijn de Kabouters nu kwijt.
Zij kwamen zoo netjes van pas in dezen tijd!
Want nu is een knecht niet meer slaperig of lui
Maar geeft aan het werken eenvoudig den brui.
Kabouterjes, ach, waart jullie er nog,
Dan zouden geen snaken den arbeid staken.
Dan konden de bonden
Geen knecht meer verlakken tot scha voor hun zakken.
De dwergjes zijn weg, maar hun les blijft bestaan:
Een knecht is geen baas en het werk moet gedaan!
Driek Rul had als 'nen boer, die kiespijn had, met een stenen pijp in z'n mond zitten luisteren en toen Kulhannes begon te vertellen over de Liempdse prul- en werkmênnekes was hij een en al kabouteroor.
Hebt gij ooit van den tijd der Kabouters gehoord?
Dat was toen een leventjen, één in zijn soort.
Bijvoorbeeld, een knecht had aan 't werken een mier
En deed niets dan luieren of nam zijn plezier
Dan kropen des nachts, zoo heel onverwachts
De dwergjes als mieren, door gaten en kieren
Krioelden en woelden,
En hipten en draafden en zwoegden en slaafden.
En 's morgens, reeds voor het gekraai van den haan
Vond ieder zijn werk door Kabouters gedaan.
De schoenmakersknecht stak zijn els in het spek,
En dacht, wie op Maandag nog werkt is een gek.
Kaboutertjes kwamen en namen den schoen,
En keken wat lapwerk er viel aan te doen:
Zij maakten een draad en spanden den naad
En pikten en prikten en stikten en flikten
En tikten en likten
En wreven en wasten en poetsten en pasten.
En voordat de baas uit zijn bed was gestapt,
Was alles aan de schoenen en laarzen gelapt.
De timmermansknecht schofte zes uur per dag,
En kroop in de krullen, als niemand het zag.
Desnachts zocht het volkje den winker in 't rond,
Of 't iets te karweien, te knutselen vond:
't Nam hamer en bijl en beitel en vijl
En dan aan het kloppen op nagels met koppen,
Aan 't dragen en zagen
En schaven en spalken van planken en balken
En kwam de baas kijken, hoe 't stond met de zaak
Dan vond hij de spullen perfect in den haak.
Het ging bij de slager precies even zoo,
Want lag nog zijn knecht als een luilak op stroo.
Dan kwamen de kereltjes vlug op een draf,
En slachten 't varken en hieuwen 't af.
Verdeelden het net in reuzel en vet.
En haakten de hammen en zijden aan krammen.
En hutsten en klutsten
En stopten met vulsel het vliezige hulsel.
En ziet: als de baas uit zijn legerstee kroop
Daar hingen reeds metworst en bloedworst te koop.
Den bakker trokken ze ook flink uit de nood,
Ze wanden het koren en bakten het brood.
En draaide de knecht zich nog om op zijn zij,
Dan was het al druk in de broodbakkerij.
Zij haalden den rog en vulden den trog,
En keerden en wroeten met handen en voeten,
En smakten en kwakten
Het baksel en schoven het wip! in den oven.
En als nu de baas uit de bedstee schoot
Lag reeds op de toonbank het verschbakken brood.
De wijnkopersknecht liet zijn werk er op staan.
En 't kwam hem zoo nauw op een glaasje niet aan.
En kreeg hij een roes weg, en sloeg hij er neer,
Dan waren de mannetjes druk in de weer.
Zij tapten het nat en zwavelden het vat
en dreven de sponnen en rolden de tonnen,
Zij hurkten en kurkten
De fleschen en lakten en pakten en plakten.
Zoodra weer de dag door het keldergat scheen
Zag nuchtere Klaas alles klaar om zich heen.
Een kleermaker had het eens vreselijk druk.
Want morgen moest klaar zijn, een vest, broek en rok.
Zijn knecht was aan 't zwieren, de pet op een oor.
Maar 's nachts kwam het volkje met persplank en schaar.
Het kruiste de beenen en begon zoo meteen
Te snijden, te schikken, te naaien, te stikken,
Te lasschen, te passen
Te persen, te boorden met linten en koorden,
"Och vrouw!", riep de baas uit zijn bed, "dat valt mee;
Het pak ligt al klaar in nieuwmodische snêe".
De kleermakersvrouw, een nieuwsgierige Trijn,
Zei stil bij zich zelven: "Wat mag dat toch zijn?"
Zij strooide grauwe erwten en hield toen de wacht.
Daar kwamen de snijdertjes, koesjes en zacht.
Maar ach wat een kruis, vol bommen het huts.
Ze stieten hun schenen en kneusden de benen.
Al schomm'lend en stomm'lend
En tolden en rolden en jolden en scholden.
De vrouw, één, twee, drie, steekt het nachtkaarsje aan
En pst! al het volkje opeens naar de maan.
Hoe jammer, wij zijn de Kabouters nu kwijt.
Zij kwamen zoo netjes van pas in dezen tijd!
Want nu is een knecht niet meer slaperig of lui
Maar geeft aan het werken eenvoudig den brui.
Kabouterjes, ach, waart jullie er nog,
Dan zouden geen snaken den arbeid staken.
Dan konden de bonden
Geen knecht meer verlakken tot scha voor hun zakken.
De dwergjes zijn weg, maar hun les blijft bestaan:
Een knecht is geen baas en het werk moet gedaan!
Driek Rul had als 'nen boer, die kiespijn had, met een stenen pijp in z'n mond zitten luisteren en toen Kulhannes begon te vertellen over de Liempdse prul- en werkmênnekes was hij een en al kabouteroor.
Beschrijving
Kaboutervers, dat Kulhannes op school leerde en uit zijn hoofd kende. Dit zijn behulpzame ventjes
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 18-19
Commentaar
voor 1992
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Goossens   
Klaas   
Trijn   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
