Hoofdtekst
Jaon, die zich een keer in de week schoor, alle koopdagen afliep en merakels kijven kon, woonde op Den Berg. Zijn langgerekte boerderij lag een balscheut van de Boxtelsche voetpad af. Op dit gedoentje boerde hij met een koe of vijf, 'n stuk of vier bluuikes van kinderen en een vrouwke, dat peper in d'r get had. Mie, zo heette het vrouwke van Jaon. "'t Waar 'n kêttig wêfke, die Mie, 'n nippig ding, dê zê 'k oe. Ze kos pêinen gelijk 'nen manskêrel en wruten din ze 'nen aolingen dag", vertelde Kulhannes. Zo was het. Mie werkte de hele dag. In de hêrd, op de geut, op de stal, in de schuur, op de misse, in het bakhuis en het varkenshok. Ook op het land werkte ze. Nee, Mie kon niet op haar gespierde hukken blijven zitten. Ze veegde d'n hêrd, schudde de todhoop, waste met groene zeep de vuile was, schuurde elke dag de romkannen met zand en zorgde ervoor, dat de koffie en de mik, de stamp en 't spek, de gekookte pap en de gebraden aardappelen op tijd op de rauwe tafel stonden.
Mie, die zich geen wind in de malse broek liet jagen, spoelde de knollen in de plukselkuil, stookte met musterds, kleuven en knausten het vuur in de vuurhêrd en de sopketel op de voorstal. Ze molk de koeien, maakte boter, slachtte en hielp op het land bij 't mestbreken, 't gras hooien, de aardappelen rooien en het koren opbinden. Geregeld ging ze met boter en eieren naar de markt en meerdere keren in de week toepelde ze met haar kerkboekske naar de kerk. Elk jaar ging ze op bedevaart. Of naar de H. Eik in Oirschot, de pater in Eindhoven of naar de H. Cornelis in Bokhoven, die iemand van de stuipen af kon helpen. U ziet het, de ijverige Mie wroette en ploeterde de gehele dag. Zo af en toe huuide ze in de sprei en baarde ze 'n klein kindje. 's Avonds rond tien uur kroop ze te bed. Met een lang slaaphemd aan en een muts op d'r hoofd lag ze ooit in de bedstee naast Jaon te denken aan het vele werk, dat ze had.
Het moet gezegd worden, zei Kulhannes, 't vrouwke van Jaon van Esch had verdjuus veel werk. Eigenlijk te veel. Op sornmige dagen kon ze dan ook met haar werk niet klaar komen. Het kwam voor, dat ze geen tijd had om de romkannen te schuren of om wat lapwerk te doen. Dit was niet erg, vertelde Kulhannes, want de andere dag, als Mie wakker werd, stonden de romkannen schoon geschuurd op het kannenrek onder het afdak van het huis. Ook het lapwerk was klaar. De ene lap was over de andere genaaid. Zulke dingen deden de kaboutermênnekes, zei Jaon, de man van Mie, die rotsvast in kabouters meende te geloven.
Inderdaad, Jaon geloofde in de kleine alvermênnekes. Hij praatte er over en ook hij werd door de kabouters geholpen. Niet een keer, maar tientallen keren en niet zo'n beetje. Een hele halve donkere nacht waren ze ooit bezig geweest. Dit had Jaon gauw in de gaten. 's Morgens, nadat zijn versleten haan in de potstal twee keer gekraaid had, kroop hij z'n bed uit. Of 't nu warm of koud was, Jaon stond op. Zodra hij z'n klompen aangetrokken en zijn pet opgezet had, zag hij wat de kabouters die nacht allemaal hadden gedaan. Zo hadden die kleine hummeltjes ooit met de hooihaak wat hooi van de schelft afgehaald, op de voorstal een mand met mangelwortelen bij de sopketel klaargezet, de stal opgeruimd en de zoei leeggeschept. In de potstal werkten ze niet. Dat vonden ze te smerig, maar op de schuurhêrd dorsten ze ooit 'n paar bedden rogge en schepten ze met de korenschop het graan aan de kant. Of ze maakten met de kleppermolen de rogge schoon.
De alvermênnekes hielpen Jaon ook op het land, als ze konden. In het voor- en najaar werd er geploegd. En ploegen, dat kon Jaon. Gruwelijk. Vaak ploegde hij tot laat in de avond. Zodra hij niet meer recht in de voor kon kijken, stopte hij met ploegen. Dan spande hij zijn paard uit, liet z'n ploeg staan waar hij met ploegen opgehouden was en kuierde naar huis toe. Maar wat gebeurde er tijdens een van die kille voorjaarsnachten? 's Avonds tevoren was Jaon nog laat aan het ploegen toen het te donker werd en hij er mee op moest houden. Op enkele voren na lag er over 't land 'n zwart gegroefd kleed. Toen hij de andere dag in d'êkker kwam, stond de ploeg op een andere plek en zag hij dat de plak helemaal omgeploegd was.
De kabouters hielpen Jaon niet alleen bij het ploegen. Ook staken ze hem ooit 'n handje toe bij het houtkappen. Jaon had veel hout nodig. Niet alleen om de weien af te maken, bezems en manden te maken, maar ook om brood en mik te bakken, de sop-was- en varkensketel te stoken en voor het vuur in de hêrd had Jaon hout nodig. Het was dan ook ieder jaar weer opnieuw 'n heel karwei voor hem om voldoende hout bij mekare te krijgen. Hij stookte dan ook alles wat maar branden kon. Knausten van een oude heg, kleuven van een gateind, spaanders van omgekapte bomen, turf uit het Broek en hout uit de bossen. Van het hout uit de bossen maakte Jaon musterds. Meestal 'n duizend of meer per jaar. En niet zo'n kleine. Hij maakte de musterds zo groot, dat er een kraai niet mee naar haar nest kon vliegen. Van Allerheiligen, de gehele winter door tot het blad weer aan de bomen kwam, kapte hij hout. 's Middags, als het weer niet al te slecht was, ging hij, nadat hij enkele dikke spekstruiven achter zijn gehobbelde kiezen had gedauwd, naar de Scheeken. Dit betekende één uur lopen. Met een pet op z'n kop, een duffelke en een turklere broek aan en een kapmes, dat aan een touwke naast zijn lichaam hing, kloefte Jaon naar zijn bos in de Scheeken. Jaon kon verdimmes hout kappen. Met zijn kapmes, ook wel slichtmes of hiep genoemd, kapte hij het trout van de struik, spreidde het en maakte er musterds van. Deze musterds werden in hoopkes van tien gelegd. Vier onderaan, drie er boven op, dan twee en helemaal boven kwam ene musterd te liggen. Zo maakte Jaon d'n ene hoop na de andere. 's Avonds, tussen licht en donker, hield hij met kappen op en kloefte hij naar huis toe.
Maar wat gebeurde er tijdens een gure najaarsnacht toen donkere drijvende wolken het kille koude landschap bedekten, de ijzige wind over d'êkkers gierde en Jaon naast Mie in de bedstee lag en droomde? Waarover? Over de vijf hoopkes hout, die hij daags tevoren gemaakt had. Toen hij die dag 's middags in de Scheeken kwam om hout te kappen, zag hij tot z'n stomme verbazing, dat er enkele hoopkes meer lagen. In plaats van vijf hoopkes telde hij er zeven. Dit moest het werk van de kabouter geweest zijn, meende Jaon, die volgens Kulhannes dat kleine werkvolkje verdimmes waardeerde.
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Jaon van Esch   
Kulhannes   
Cornelis   
Naam Locatie in Tekst
Boxtel   
Mie   
Oirschot   
Eindhoven   
Bokhoven   
Broek   
Allerheiligen   
Scheeken   
