Hoofdtekst
Op het einde van de Broekdijk, op de scheiding van Liempt en St. Oedenrode, lag het Rooisch Hekken. Hier woonde in een bouwvallig huiske, stikalleen en een beetje van de weg af, een oud vrouwke. Bertha heette ze.
"'t Waar 'n gek ding, 'ne saptaand van 'n wêfke. Ze wou nergend iet af weten en ze waar aalt effe kummelijk. Niks ês poorzen en knoorzen din ze. D'r waar gin richt mi te skieten en ês ze 't geveegd kos krijgen, din ze iemes de dood op 't lijf jaogen", vertelde Kulhannes.
Dit oude vrouwke, dat zich de koningin van het Rooisch Hekken waande en melk uit 'nen biezenbos kon melken, zat overdag vaak op d'r gat, op 'ne hoek of kant van het huis met 'ne stok te zwaaien. De koeien hadden er schrik van. Sommige voerlui ook. En waarom? Omdat ze wisten, dat als dit vrouwke tegen hun paard riep "huw pêrd," het beest niet meer voor- of achteruit wilde. Wat de voerman er ook voor taal tegenaan gooide, het paard bleef als versteend tussen de burries staan. De oude Bertha had dan schik en lachte tenlangelêste zo hard in d'r vuist, dat de heksengeest uit haar lijf vloog en het paard weer verder kon. De voerlui, die Bertha zo hard hadden horen lachen, weerden haar. Ook als ze laat in de middag aan het sprokkelen was, want dat deed ze. In de tijd, dat het dooie hout uit de bomen waaide, raapte ze het ene dode takske na het andere op. Lag er veel dood hout dan had ze in 'ne vloek en 'ne zucht 'ne bussel sprokkelhout bij mekaar, die ze dan op haar rug nam en naar huis toe bracht. Niet alleen dood hout nam ze mee, ook van de stront, die de koeien en paarden op de Broekdijk hadden achtergelaten, kon ze niet afblijven. Lag er 'ne paardestront of 'ne koeiestront op d'n Broekdijk of elders, dan deed de smeerteil met d'r blote hand de stront in 'nen ouwe emmer, die ze in d'n hof uitschudde.
Bertha liep er altijd een beetje slordig bij. Met een zwarte lap op haar kop, kapotte kleren aan, 'ne todzak om d'r lijf en met een paar ongeschuurde riemklompen aan haar voeten drispelde ze rond en buurtte ze tegen haar vijf kippen en haar kat aan. Als de kippen niet aan leggen, broeden of scharrelen dachten, lagen ze vaak bij Bertha in d'n lemen hêrd te spollen. Ook haar kat was vaak in d'n hêrd. Als het vroor lag ze overdag meestal bij het vuur op 'nen ouwe kuis-versleten biezenmatten stoel te slapen. 's Zomers doolde ze veel in d'êkker rond en in de winterdag haalde ze 's nachts bij de boeren van alles uit de schuur.
"Deez kat waar krêk ês Bertha, 'n gek ding. Es 't aovondêchtig waar en 't 'n bietje granw begos te worren en ôk laoter op d'n aovond, ês 't donker waar, sprong de kat mi keres in iemes z'ne nek. Es iemende in den donkere over de Broekdijk troi en ie keek um, den sprong ze mee in z'nen nek", vertelde Kulhannes.
Dat de kat van Bertha heel gemeen kon doen, ondervond 'nen Liempdse kleermaker. De snijer (kleermaker), die rap te poot was en in de Snijerstraat woonde, had voor 'ne boer in St. Oedenrode, die graag met zijn ellebogen werkte, een goei pak gemaakt. Het was een schoon pak, dat bestond uit een zwartlakens jaske met 'ne slip, een broek met een klep en twee pijpen, die aan de knieën eng en op 't eind wijd waren. Toen de kleermaker z'n klerenkarwei klaar had, bracht hij het pak, gewikkeld in een zwart katoenen overtrek en gelegen op z'n arm naar Rooi. Het was avond en 't vroor. Met een turklere broek aan en zachtjes zingend van:
"Naar het klooster moet ge gaan, kind!
Naar 't klooster van St. Arjaan, kind!
Waar er twee paar schoenen
Waar er twee paar schoenen
Voor het beddeken staan, kind!
Van het klooster van St. Arjaan, kind!"
kloefte hij over de lange strakke zanderige Broekdijk naar St. Oedenrode, naar dieën boer, die ook graag met zijn vuist op tafel sloeg en bij de Liempdse snijer 'n nieuw pak besteld had.
Toen de kleermaker het pak afleverde was het donker en toen hij over het hengstenspoor van de weg weer huiswaarts keerde, was het kei-donker. Hij zag haast niks, dacht aan niemand en liep met "'ne forse tree" op Liempt aan. Totdat hij het Rooisch Hekken naderde en hoorde roepen:
"Lêpke d'r op
Lêpke d'r op
Lêpke d'r op".
Onverstoord kloefte de kleermaker verder. Het was stil. In de verte blafte een hond. De bomen zwegen. De grond was hard en weer hoorde de kleermaker achter zich roepen:
"Lêpke d'r op
Lêpke d'r op
Lêpke d'r op".
Nieuwsgierig als hij was, keek hij om en .... zag niks, maar voelde, dat er een beest met duvels geweld in zijn nek sprong. Het was een kat, een zware kat, die haar lange scherpe nagels in zijn gerimpeld nekvel klemde. De kleermaker schreeuwde, schopte en sloeg, maar het lukte hem niet om het beest van zich af te schudden. Erg moe werd hij ervan. Het zweet droop van zijn lijf, het schuim stond onder zijn galgen en zijn turklere broek zakte haast van zijn kont af, maar de kat bleef hangen.
Teneinde raad zette de kleermaker het op een hollen. Krêk als 'nen haan met peper in zijn gat en met de kat in zijn nek rende hij naar Liempt. Over de Broekdijk, dwars door de Koestraat en zo recht naar de pastorie, waar hij de pastoor hoopte aan te treffen. De pastoor, die hem mogelijk met Gods genâ helpen kon.
Met knikkende knieën en 'n gebogen bezweet lijf kwam de snijer bij de pastorie aan, waar hij met 'n bonzend hart op de groene voordeur klopte. Even later ging de voordeur krakend open. "Kom binnen en ga zitten", zei de pastoor. Daarna werd het stil. De klok in de hal tikte. De kleermaker ging zitten en de pastoor trad naar zijn kamerke, waar hij zich 'n lutske (tijdje) tot den Heer wendde.
De traag tikkende klok sloeg twaalf keer, toen de pastoor uit z'n kamerke kwam, 'ne stok nam en met deze stok in Godsnaam de kat uit de snijer z'n nek sloeg. Een snijdend gejank scheurde de stilte in de hal, waarna de kat versufd door de pastorie zwemelde. Jana, de pastoorsmeid, zag 't:
"Jezus, Maria en Jozef, d'r uit, verdimmes kat, d'r uit",
riep de meid, terwijl ze de moor van het vuur nam en het hete water over de staart van de zwemelende kat kwakte.
Door de achterdeur vloog de kat de pastorie uit en verdween in 't duister van de kille winterse nacht.
De andere dag hoorde Jana in het dorp vertellen, dat het vrouwke van het Rooisch Hekken niet op d'r gat vóór het huis zat, maar met een verbrande kont en met verschrikkelijk veel pijn in haar nek in bed lag.
Onderwerp
sinsag 0539 - Hexe bannt an den Platz
  
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
St. Oedenrode   
Rooisch Hekken   
Bertha   
St. Arjaan   
God   
Jana   
Jezus   
Maria   
Jozef   
Naam Locatie in Tekst
Broekdijk   
Liempde   
