Hoofdtekst
De kater van Sint Albertus
Vaak veranderde zo'n heksenwijfke zich in een kat. In een zwarte kat, die 'avonds op de voordeur bonsde, als de kinderen niet op tijd naar bed gingen. Zo'n kat liep ooit urenlang mee met 'nen klompenmaker, die zijn klompen met 'ne kruiwagen naar het station in Kasteren bracht; met een vrouw, die met 'ne korf eieren naar de Boxtelse lent toepelde of met 'nen boer, die met z'n kar 'ne kwak aardappelen naar Eindhoven bracht of gier uit Den Bosch hommelde.
Een van die katten, waar zelfs Kulhannes schrik van had, was de kater van St. Albertus. St. Albertus was de beschermheilige van de nonnekes, die in 't klooster, in de schaduw van de kerk, woonden. De kater van St. Albertus was 'ne grote zwarte kater met felle ogen in z'ne rond kop en 'ne lange ruige staart aan zijn dik lijf. In de katertijd kon hij gruwelijk mauwen, zelfs zo hard en hartverscheurend, dat de nonnekes er niet van slapen konden. Tussen licht en donker, in de griebelgrauw zogezegd, zat hij vaak op de draaiboom tegenover het klooster. Vanaf z'ne sokkel boven de voordeur van het klooster kon St. Albertus hem gade slaan.
Zo zag St. Albertus, 't was op 'nen winterse namiddag en 't vroor 'ne klomp dik, de kater weer op de draaiboom zitten, toen Peer Huype, 'nen boer uit Hezelaar, er met zijn kar kwam aandokkelen. Aan zijn kar hing, achter een wiel, tegen een zijbord aan, een houweel. "Zo'n houweel waar krêk 'n hakse mee 'n ordentelijk stevig en fatsoenlijk lang steeltje", zei Kulhannes. Met het houweel kon Peer, als hij met zijn kar in 't slijk of in 't ijs vastzat, de wielen van de kar vrijmaken.
Toen Peer naast zijn kar sloefte en de kater op de draaiboom zag zitten, dacht hij: "Kaoterke, kaoterke, ik klap oe, ik klap oe; Mi m'n houweel klap ik oe, klap ik oe van d'n drêijboom af".
Peer nam zijn houweel van de kar af, liep naar de draaiboom en... en... Nee, Peer sloeg niet, want krêk voordat Peer slaan wou, riep de kater: "Peerke, mênneke, slao mêr, slao mêr, ês ge toch durft, ês ge toch durft, ês ge toch...... ês ge toch...... ês ge..."
Van schrik liet Peer toen zijn houweel uit zijn knokige handen vallen en reed zo vlug als maar kon naar huis toe. St. Albertus glimlachte en keek Peer na, zolang hij kon.
's Avonds rond negen uur schoot Peer d'n todhoop in. Nauwelijks lag hij naast Baike, zijn vrouw, in de bedstee of hij hoorde tegen 't raam bonzen. Peer keek op en zag in 't licht van de maneschijn de kater van St. Albertus op de vensterbank zitten.
"Peerke, mênneke, mênneke, slaop mêr, slaop mêr, ês ge kunt, ês ge kunt...." krijste de kater en verdween. Peer kon die avond de slaap niet vatten en Baike ook niet, die niet begreep, waarom Peer zo onrustig was.
Vaak veranderde zo'n heksenwijfke zich in een kat. In een zwarte kat, die 'avonds op de voordeur bonsde, als de kinderen niet op tijd naar bed gingen. Zo'n kat liep ooit urenlang mee met 'nen klompenmaker, die zijn klompen met 'ne kruiwagen naar het station in Kasteren bracht; met een vrouw, die met 'ne korf eieren naar de Boxtelse lent toepelde of met 'nen boer, die met z'n kar 'ne kwak aardappelen naar Eindhoven bracht of gier uit Den Bosch hommelde.
Een van die katten, waar zelfs Kulhannes schrik van had, was de kater van St. Albertus. St. Albertus was de beschermheilige van de nonnekes, die in 't klooster, in de schaduw van de kerk, woonden. De kater van St. Albertus was 'ne grote zwarte kater met felle ogen in z'ne rond kop en 'ne lange ruige staart aan zijn dik lijf. In de katertijd kon hij gruwelijk mauwen, zelfs zo hard en hartverscheurend, dat de nonnekes er niet van slapen konden. Tussen licht en donker, in de griebelgrauw zogezegd, zat hij vaak op de draaiboom tegenover het klooster. Vanaf z'ne sokkel boven de voordeur van het klooster kon St. Albertus hem gade slaan.
Zo zag St. Albertus, 't was op 'nen winterse namiddag en 't vroor 'ne klomp dik, de kater weer op de draaiboom zitten, toen Peer Huype, 'nen boer uit Hezelaar, er met zijn kar kwam aandokkelen. Aan zijn kar hing, achter een wiel, tegen een zijbord aan, een houweel. "Zo'n houweel waar krêk 'n hakse mee 'n ordentelijk stevig en fatsoenlijk lang steeltje", zei Kulhannes. Met het houweel kon Peer, als hij met zijn kar in 't slijk of in 't ijs vastzat, de wielen van de kar vrijmaken.
Toen Peer naast zijn kar sloefte en de kater op de draaiboom zag zitten, dacht hij: "Kaoterke, kaoterke, ik klap oe, ik klap oe; Mi m'n houweel klap ik oe, klap ik oe van d'n drêijboom af".
Peer nam zijn houweel van de kar af, liep naar de draaiboom en... en... Nee, Peer sloeg niet, want krêk voordat Peer slaan wou, riep de kater: "Peerke, mênneke, slao mêr, slao mêr, ês ge toch durft, ês ge toch durft, ês ge toch...... ês ge toch...... ês ge..."
Van schrik liet Peer toen zijn houweel uit zijn knokige handen vallen en reed zo vlug als maar kon naar huis toe. St. Albertus glimlachte en keek Peer na, zolang hij kon.
's Avonds rond negen uur schoot Peer d'n todhoop in. Nauwelijks lag hij naast Baike, zijn vrouw, in de bedstee of hij hoorde tegen 't raam bonzen. Peer keek op en zag in 't licht van de maneschijn de kater van St. Albertus op de vensterbank zitten.
"Peerke, mênneke, mênneke, slaop mêr, slaop mêr, ês ge kunt, ês ge kunt...." krijste de kater en verdween. Peer kon die avond de slaap niet vatten en Baike ook niet, die niet begreep, waarom Peer zo onrustig was.
Onderwerp
SINSAG 0601 - Die sprechende Katze   
Beschrijving
Peerke dacht: "Kaoterke, kaoterke, ik klap oe, ik klap oe; Mi m'n houweel klap ik oe, klap ik oe van d'n drêijboom af", maar voor hij zover was, zei de kat: "Peerke, mênneke, slao mêr, slao mêr, ês ge toch durft, ês ge toch durft, ês ge toch...... ês ge toch...... ês ge..."
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 53-55
Commentaar
voor 1992
Die sprechende Katze
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
St. Albertus   
Peer Huype   
Hezelaar   
Naam Locatie in Tekst
Kasteren   
Boxtel   
Eindhoven   
Den Bosch   
Baike   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
