Hoofdtekst
Dat de Lummelenkooise katten heel wat venijn in hun kattenmars hadden, ondervond Jan Paulussen. Jan was klompenmaker en niet getrouwd. Met zijn moeder, Annemie heette ze, die gruwelijk lelijk kijken en kijven kon, woonde hij in de Koestraat. Jan was gene verkeerde kerel, maar hij dronk ooit graag een sneveltje en twee ook. Als hij van huis af was, sloeg ie gauw door z'ne broeksband.
Zo was Jan eens een hele dag met de klompenmakers op stap geweest. Van de ene herberg naar de andere kroeg waren ze gegaan, toen Jan 's avonds rond 'n uur of tien de laatste herberg verliet. 'n Goei smeer had hij aan.
Met zijn beide benen op wijd spoor, waggelde hij naar huis toe en zong, niet mooi maar hard:
"Ik heb een aardig vinkje
't Zit buiten in de kooi;
't Fluit allerhande liedjes,
O jongens, 't gaat zoo mooi.
Me dunkt als ik zo fluiten kon
Dat ik er best den kost mee won ".
Toen Jan waggelend en lallend bij de Lummelenkooi kwam, hoorde hij vlakbij de troebelige waterkuil de katten krijsen:
"Hoe steet er mij die kovelet!
Hoe steet er mij die kovelet!"
Jan, niet te flauw, gaf de katten lik op stuk en antwoordde:
"'t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't '
t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't".
Nou, dat kwam hem duur te staan, want toen de katten dit hoorden, sprongen ze met z'n allen met gloeiende ogen en 'n open bakkes op Jan. In 'ne vloek en 'ne zucht scheurden ze de kleren van z'n lijf, beten ze zijn benen stuk en krabden ze zijn gezicht helemaal kapot. Z'ne kop zag er uit als 'ne holle struik en 't leek wel alsof ie dagen lang in de dorens gelegen had. Zo zag hij er uit en zo stapte hij bij Annemie, z'n moeder, d'n hêrd binnen. Annemie trok meteen van leer en schold Jan uit voor 'ne schietserd, 'ne rebbeler, 'ne pekelkloot, 'ne klootveger, 'n auw fiep, 'n stroop-oer, 'ne relpijp en voor alles wat lelijk was. Jan kende zijn moeder en ook haar taal, die zachter werd naarmate hij harder zong:
"'k Zal op mijn vinkje passen,
Zoo goed als ik maar kan;
Zijn bakje wil ik vullen,
Met zaad, daar houdt het van.
Met helder water vul ik 't glas
'k Wou, dat ik zo'n vinkje was.
Maar altijd zoo gevangen
te zitten in die kouw;
'k Geloof, dat mij zoo'n leven,
Toch niet bevallen zou.
Niets gaat er boven vrij en blij
Dat zeg ik en daar blijf ik bij.
En daarom aardig vinkje,
Gaat straks uw kooitje los;
Uw liedje klinkt toch mooier,
Daar ginder in het bosch.
Kom in den winter maar eens weer
Dan strooi ik kruimpjes voor u neer."
De laaiende Annemie kalmeerde, zweeg en Jan schoot met zijn kleren en klompen aan d'n todhoop in.
Zo was Jan eens een hele dag met de klompenmakers op stap geweest. Van de ene herberg naar de andere kroeg waren ze gegaan, toen Jan 's avonds rond 'n uur of tien de laatste herberg verliet. 'n Goei smeer had hij aan.
Met zijn beide benen op wijd spoor, waggelde hij naar huis toe en zong, niet mooi maar hard:
"Ik heb een aardig vinkje
't Zit buiten in de kooi;
't Fluit allerhande liedjes,
O jongens, 't gaat zoo mooi.
Me dunkt als ik zo fluiten kon
Dat ik er best den kost mee won ".
Toen Jan waggelend en lallend bij de Lummelenkooi kwam, hoorde hij vlakbij de troebelige waterkuil de katten krijsen:
"Hoe steet er mij die kovelet!
Hoe steet er mij die kovelet!"
Jan, niet te flauw, gaf de katten lik op stuk en antwoordde:
"'t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't '
t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't".
Nou, dat kwam hem duur te staan, want toen de katten dit hoorden, sprongen ze met z'n allen met gloeiende ogen en 'n open bakkes op Jan. In 'ne vloek en 'ne zucht scheurden ze de kleren van z'n lijf, beten ze zijn benen stuk en krabden ze zijn gezicht helemaal kapot. Z'ne kop zag er uit als 'ne holle struik en 't leek wel alsof ie dagen lang in de dorens gelegen had. Zo zag hij er uit en zo stapte hij bij Annemie, z'n moeder, d'n hêrd binnen. Annemie trok meteen van leer en schold Jan uit voor 'ne schietserd, 'ne rebbeler, 'ne pekelkloot, 'ne klootveger, 'n auw fiep, 'n stroop-oer, 'ne relpijp en voor alles wat lelijk was. Jan kende zijn moeder en ook haar taal, die zachter werd naarmate hij harder zong:
"'k Zal op mijn vinkje passen,
Zoo goed als ik maar kan;
Zijn bakje wil ik vullen,
Met zaad, daar houdt het van.
Met helder water vul ik 't glas
'k Wou, dat ik zo'n vinkje was.
Maar altijd zoo gevangen
te zitten in die kouw;
'k Geloof, dat mij zoo'n leven,
Toch niet bevallen zou.
Niets gaat er boven vrij en blij
Dat zeg ik en daar blijf ik bij.
En daarom aardig vinkje,
Gaat straks uw kooitje los;
Uw liedje klinkt toch mooier,
Daar ginder in het bosch.
Kom in den winter maar eens weer
Dan strooi ik kruimpjes voor u neer."
De laaiende Annemie kalmeerde, zweeg en Jan schoot met zijn kleren en klompen aan d'n todhoop in.
Onderwerp
SINSAG 0501 - Der Katzentanz   
Beschrijving
Jan Paulussen komt op een avond uit de kroeg, luid zingend over een aardig vinkje, dat hij heeft, langs de Lummelenkooi, waar de katten naar hem krijsen:
"Hoe steet er mij die kovelet!
Hoe steet er mij die kovelet!"
Jan, niet te flauw, geeft de katten lik op stuk en antwoordt:
"'t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't '
t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't".
Meteen komen de katten op hem afgeprongen en scheuren hem de kleren van het lijf, halen zijn gezicht open (en hij rent naar huis).
"Hoe steet er mij die kovelet!
Hoe steet er mij die kovelet!"
Jan, niet te flauw, geeft de katten lik op stuk en antwoordt:
"'t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't '
t Is krêk dê ge 'ne stront op hê't".
Meteen komen de katten op hem afgeprongen en scheuren hem de kleren van het lijf, halen zijn gezicht open (en hij rent naar huis).
Bron
Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 61-62
Commentaar
voor 1992
Der Katzentanz
Naam Overig in Tekst
Kulhannes   
Jan Paulussen   
Annemie   
Lummelenkooi   
Naam Locatie in Tekst
Koestraat   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
