Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

kul055

Een personal narrative (boek), 1982 - 1991

Hoofdtekst

Om en in het Broekegängske (4: Mie van den Broek)
Aan de andere kant van het Broekegängske woonde Mie van den Broek. Zij was de dochter van Johannes Clercx, de Liempdse bierbrouwer. Zijn brouwerij lag in de buurt van het tolhuis, de Liempdse Barrier.
Toen Mie in 1898 weduwe werd, had ze 'nen winkel, waarin ze naast eieren en boter, brood en mik, franse broodjes en poolse mutsen, bontegoed en schortebont ook allerlei kruidenierswaren verkocht. En verkopen, dat kon Mie. Met een grijsgestreepte schort aan en met wat boerenpraat reeg ze haar klantenkring aan elkaar.
"Mie buurtte honderdûit. En verkopen! Niet te zuinig. Sepstelen, stroopbabbels, sajet, ziemelenzatjes en aonder klêinaosie, thee, koffie, rijst, erwten, bonen, peperkoek, dreug kuukskes en grove pijptabak, blanwe katoene stof en ellegoed mi de strekkende meter, Mie din 't gelijk verkopen. Mi keres din ze botter verkopen, die Jantje, d'ren miens, zelf gebotterd hâ. Ok din ze botter opkopen van boerewêfkes, die zelf dinnen botteren of ze din d'r winkelgerêi ruilen. Ham, spek, botter of êier van de boeren rûilde ze tegen 'ne pak pruimtabak, 'nen bûil suiker, 'n kênneke stroop, 'n fleske zuten olie of 'ne kwak grune zeep", beweerde Kulhannes.

Mie had drie dochters, Anna, Kato en Clara genaamd en drie zonen, Rogier, Piet en Antoon. Kato trouwde met 'nen Limburgse bierbrouwer en verliet het ouderlijk huis. Anna en Clara echter konden hun fortuin niet vinden, bleven bij moeder en hielpen haar bij alles wat er te doen viel. Van de jongens stierf Rogier op betrekkelijk jonge leeftijd. Piet en Antoon smoorden niet in de wieg en werkten in de bakkerij van vader, die langs het Broekegängske lag. De beide broers werkten samen, totdat Piet een andere weg insloeg, een durske tegen het lijf aanliep, trouwde en na enkele buitendorpse omzwervingen burgemeester van Den Dungen werd.

En Antoon, beter bekend als Toontje Broek, hij bleef vanaf zijn geboorte in 1877 tot zijn dood in 1955 in Liempde wonen. In het grote huis langs het smalle Broekegängske knoopte hij samen met zijn moeder en zijn twee ongetrouwde zusters, na de dood van vader in 1898, de eindjes aan elkaar.
Toontje was 'ne gezellig ventje. Niet groot, maar wel gezet was ie. "Hij waar krêk zo breed ês ie lang waar", dacht Kulhannes. Zijn korte beentjes droegen een stevig lijf en op dit lijf stond 'ne ronde kop, die vaak gesierd werd door een hoedje. Een hoedje, dat schudde als Toontje lachte. En lachen, dat kon ie. Heel aanstekelijk. Als Toontje lachte, lachte alleman. Vol zat ie met grappen en grollen. Toontje was ook rap van tong en kon ooit iets raak zeggen. Dat bleek onder andere toen de pachter van Gussenbunt met paard en kar naar de winker van de Boerenbond kwam gereden om er kunstmest te halen. Deze pachter had in het dorp een niet al te beste naam. Hij stond bekend als 'nen ijzervreter en beboerde Gussenbunt met ijzeren hand.
Toen deze pachter langs het huis van Mie van den Broek reed, zat Toontje buiten en zag, dat de pachter vóór op de schei van de kar zat en 'nen strooien hoed op had. "Wè hêdde toch 'nen verdimmese skône strooien hoed op oew kop", riep Toontje tegen de pachter. "Bij een mooi boerenhuis hoort een strooien dak", riep de pachter terug, waarop Toontje antwoordde: "'t Kan goed zên, mêr ik mêin dè we regen krijgen ês de vêrkens onder 't strooi krûipen".
Toontje was niet alleen bakker. Hij was ook zingend organist in de kerk en spelend lid van de harmonie. Daarnaast was hij als vrijgezel lid van de Voortplanting des Geloofs en weldoener van het Liefdesgesticht, jaagde hij en buurtte hij graag.
"Deez stevig secuur mênneke kos 't skôn zeggen. Hij laachte en praotte gêire", meende Kulhannes. Inderdaad. Toontje buurtte met Jan en alleman. Met Mie van Jan Pere, met Wout van Giele, Hanne Moetjes, Jozep van Marte Driekskes, de pastoor, de veldwachter en ook met Fientje van Bernarte, die in de dorpsherberg woonde. Met Fientje buurtte hij vaak. Hij zag haar graag bezig. Als Fientje in d'n hof aan het werk was, maakte Toonte wel 'ns 'n gat in de heg om haar te zien wroeten. Zo gek was ie op Fientje. Hoe het ook ware. Buurten of kijken. Toontje kon echter niet met Fientje trouwen. Om de een of andere reden lukte dit niet. Tegen zijn moeder zei hij ooit: "Moier, ge moet Fien ês meid huren dan hê'k mee liggend wêrk". Maar moeder huurde of kon Fientje niet huren en zo bleef Toontje vrijgezel.

In plaats van 'n vrouw had Toontje een snor en onder deze snor hing 'n buikske. Een bollig buikske, dat schudde bij het zien van de botermolen.
Toen Toontje nog 'ne jonge kerel was, had zijn vader Jan van den Broek, 'nen botermolen. Om met deze botermolen boter te kunnen maken, had Jan melk nodig. Deze melk kwam van de boeren. Tegen het einde van de vorige eeuw bracht de melk van de koeien weinig op. De romme (melk) werd of opgedronken door de gezinsleden van de boer of door zijn mestkalfkes. Of er werd boter van gemaakt. Er waren ook boeren, die geen boter maakten en melk over hielden. Deze resterende romme verkochten ze aan Jantje van den Broek, de vader van Toontje. Voor een halve stuiver per liter kocht hij de melk op en maakte er in zijn fabriekske met de botermolen malse boter van, die door Mie in de winker verkocht werd. Bij het botteren (botermaken) kwam de ondermelk vrij. Van deze ondermelk, de zwierts of onderromme genoemd, liet Jantje de staartjes van zijn varkens krullen. Aan dit gekrul kwam een eind toen een commissie onder voorzitterschap van Sjef Noyen een boterfabriek bouwde. Deze stoomzuivelfabriek, genaamd 't Haantje, begon op 27 september 1898 te draaien, het jaar, waarin Jantje overleed. Door het concurerende zwaard van 't Haantje werd de botermachien van de Van den Broeken getroffen. Hij kwam nauwelijks aan werken toe, ondanks 'n heftig protest van Toontje, die zich vanaf dat moment op de bakkerij wierp.

Het bakhuis van de Van den Broeke lag langs het Broekegängske. Als Toontje in z'n blauwe geruite broek en met 'n wit jaske aan aan het bakken was, rook het in het Broekegängkse naar Broekeroggebrood en gewone of opgejaagde Broekemik. Daarnaast maakte hij franse broodjes, poolse mutsen, bestellen, schillingse mikskes en pistelékes, die ook weer verkocht werden in het winkeltje van Mie.
In de bakkerij was het handen- en voetenwerk, dat de klok sloeg. In een grote houten trog mengde men met de handen het gezeefde roggemeel met ruwdeeg en water tot een stijve massa, waarna deze massa gekneed werd. Dit kneden deed men aanvankelijk met de vuisten dan wel met de hakken van de voeten. Bij het kneden met de voeten stond Toontje in den trog. Om tijdens het voeten-kneedwerk niet uit den trog te vallen, hield hij zich vast aan een ketting, die met 'ne ring aan het plafond van de bakkerij bevestigd was. Niet omdat Toontje met zijn korte beentjes niet goed in d'n trog kon, maar meer omdat hij het kneden van het deeg zo'n zwaar werk vond, werd naar een andere wijze van bewerken gezocht. Toen op het einde van de vorige eeuw de eerste deegmolens in de bakkerswereld verschenen, was Toontje dan ook een van de eerste Liempdse bakkers, die zich zo'n machien aanschafte.
Zo'n deegmolen, ook wel trêigmolen genoemd, was 'ne tredmolen. Middels een as door de muur van het bakhuis stond deze molen in verbinding met een groot rad, waarin 'ne hond liep. Als Toontje de hond liet lopen, draaide de deegmolen en kneedde zich het deeg.
Later maakte Toontje gebruik van een andere drijfkracht. Namelijk 'nen ezel, die niet in het rad liep, maar in een manege. Deze manege lag vlakbij het Broekegängske. De jongens van het Klein Hoekske, Vrilkhoven, Den Berg en ook Kulhannes en zijn kameraden zagen het ezeltje van Toontje werken, als ze door het Broekegängske naar school toe liepen. Soms riepen ze tegen d'n ezel, dat hij wat harder werken moest en het gebeurde ook, dat 'n snotjong 'ne klippel uit de musterdmijt van Toontje trok en naar d'n ezel gooide. Als Toontje dit zag, werd hij gruwelijk kwaad. Dan schoot hij uit zijn sokken en moesten de jong het op een lopen zetten om geen pak slaag te krijgen.
Kwaad werd Toontje niet als de schooljongens in het Broekegängske mekare te lijf gingen. Jazeker. In het Broekegängske werd niet alleen pinneke gegooid, kuiltje geknipt, perkske geschoten, geklepperd, gereept en getold, er werd ook gevochten.
"Dik ûm iet van niks of nergend nie ûm trokken wêllie mekare aon de haor, sloegen wêllie mi 'nen klomp tegen iemes z'ne kop aon en skupten wêllie mekare tegen de skeen aon," beweerde Kulhannes, toen hij als schooljongen naar de taalschool op de Keefheuvel ging.

Zo was het Broekegängske niet alleen 'n plaats waar gelopen, gescharreld, gekloot of gespeeld werd, het was ook 'n plek, waar menig strijdtoneel zich afspeelde.

Beschrijving

Geschiedenis van een familie.

Bron

Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 145-149

Naam Overig in Tekst

Kulhannes    Kulhannes   

Mie van den Broek    Mie van den Broek   

Johannes Clercx    Johannes Clercx   

Jan    Jan   

Anna    Anna   

Clara    Clara   

Rogier    Rogier   

Piet    Piet   

Antoon    Antoon   

Toontje Broek    Toontje Broek   

Gussenbunt    Gussenbunt   

Boerenbond    Boerenbond   

Voortplanting des Geloofs    Voortplanting des Geloofs   

Liefdesgesticht    Liefdesgesticht   

Mie van Jan Pere    Mie van Jan Pere   

Wout van Giele    Wout van Giele   

Hanne Moetjes    Hanne Moetjes   

Jozep van Marte Driekskes    Jozep van Marte Driekskes   

Fientje van Bernarte    Fientje van Bernarte   

Sjef Noyen    Sjef Noyen   

Haantje    Haantje   

Naam Locatie in Tekst

Limburg    Limburg   

Liempde    Liempde   

Broekegängske    Broekegängske   

Liempdse Barrier    Liempdse Barrier   

Den Dungen    Den Dungen   

Vrilkhoven    Vrilkhoven   

Den Berg    Den Berg   

Keefheuvel    Keefheuvel   

Plaats van Handelen

Liempde    Liempde   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20