Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

kul056 - Piet, de veldwachter

Een personal narrative (boek), 1982 - 1991

Hoofdtekst

Piet, de veldwachter

Piet Egelmeers werd volgens Kulhannes in 1866 te Wintelre geboren. Zijn moeder heette Caot en zijn vader was boer. Als boerenzoon trad hij echter niet in de schrale voetsporen van zijn breedgeschouderde vader. Nee, hij werd veldwachter. Eerst in Oirschot en in 1888 volgde zijn benoeming in Liempde.
Toen Piet in Liempde kwam, nam hij zijn intrek bij Karel Kreyveld, die vanwege zijn postuur Kareltje Krey genoemd werd. Dit manneke woonde op het Kerkeind in een klein huiske, samen met zijn ongetrouwde dochter Marie. Toen Kareltje stierf ontstond er een ongehoorde situatie. De lange Piet Egelmeers was vrijgezel en de twaalf jaar jongere mollige Marie Krey was eveneens niet getrouwd. Zij samen onder een en hetzelfde dak slapen! Nee, dat kon niet, vond de pastoor en ook de burgemeester was deze mening toegedaan. Marie zei niks en Piet dacht na. Heel diep. Uiteindelijk vond hij de oplossing. Hij vroeg aan meneer pastoor en meneer de burgemeester of Marie zijn huishoudster mocht worden. En verdorie, dat kon. Piet en Marie mochten samen blijven wonen in dat kleine huiske op het Kerkeind. Zij als huishoudster en Piet als veldwachter.

Enkele jaren na de dood van Kareltje Krey werd er van huis gewisseld met de weduwe Weymer, de vrouw van de voormalige veldwachter, die in een huis van de gemeente woonde en dat langs de Keefheuvel stond.
Door dat samenwonen van Piet en Marie groeide er een relatie, die meer werd dan van huishoudelijke aard. Zonder dat iemand er iets van merkte, werd na verloop van tijd aan trouwen gedacht. Trouwen was niet mogelijk, vond Piet. Hij verdiende immers te weinig. Tweeentachtig cent per dag. Dat was niks. In ieder geval te weinig om samen van te leven. Weer dacht Piet na. Heel diep en lang. Uiteindelijk richtte hij zich tot het gemeentebestuur en vroeg om opslag. En jawel. Tijdens een rumoerige raadsvergadering werd besloten het salaris van de veldwachter te verdubbelen. Toen kon Piet trouwen en dat deed hij dan ook. Nadat Marie op verzoek van de kersverse pastoor Kluytmans tijdens de ondertrouwperiode ergens anders had geslapen, gaf Piet in 1919 op 'n dag in oktober in de mis van half acht 's morgens zijn jawoord.
Piet en Marie waren van huisuit gelovige mensen. Vanaf het wiegestro aan d'r gat hing, volgden ze een door Paus en bisschoppen, pastoors en kapelaans, paters en nonnen geschraagd Christelijk pad, dat voer naar een zalig hiernamaals. Zij geloofden in God als opperheer en de pastoor als parochieherder, in Maria als troosteres der bedroefden en in St. Jozef als timmerman. Zij vertrouwden op de H. Cornelius en andere Heiligen en leefden volgens de leer van de kerk. Hun dorpse leven en dagelijks werk droegen zij op aan God en het waren de geboden en verboden, de tradities en sacramenten, de gewoonten en gebruiken van de Heilige Kerk, die hun levenspad plaveiden. Binnen dit door Piet en Marie gevormde katholieke bolwerk zag in 1923 een dochter het levenslicht. Ze woog ruim drie pond en werd Toos genoemd.
Naast hun geloof in God en de vruchten der aarde aten Piet en Marie d'ren boterham niet in ledigheid. Samen knoopten ze de aardse eenvoudig gekleurde eindjes aan elkaar. Met een schort voor haar lijf en op klompen werkte Marie thuis en buitenshuis. Thuis zorgde ze voor de mik, de petaosie, de mölkepap en de struif. Ze keerde d'n hêrd uit, schudde d'n todhoop, schuurde de klompen en deed de was. Ze stookte met musterdhout, kleuven, klippels en knausten de plattebuiskachel in d'n hêrd en bracht gloeiende as in de pot van de voetstoof. Van lappen van Mie van de Broek maakte ze hemden en in een versleten oude broek zette ze nieuwe stukken. Voor de marechaussee uit Boxtel schonk ze koffie en haar man en Toos, vrienden en kennissen, gaf ze de nodige aandacht. Kortom, Marie werkte van de vroege ochtend tot laat in de avond in en om 't huis. Ook buitenshuis zat ze niet op d'r hukken. In d'n hof sneed ze sla, in de voortuin plukte ze bloemen en op het gemeentehuis zorgde zij ervoor, dat de burgemeester en het gemeentepersoneel er gedurende de wintermaanden warme voeten hadden. Ook poetste ze op vrijdagavond het raadhuis en kookte ze voor de raadsleden tijdens de verkiezingen.
En Piet? Ook hij hield zijn handen niet in de wijde zakken van z'n manchesterse werkbroek. Dat kon ook niet, want naast veldwachter was hij gemeenteopzichter en gemeentebode.
Op het Hezelerbroek, op Goossenbunder en elders werkte Piet met de schop en zag er tevens op toe, dat Hannes Waggel, Willeke Snelders, Driek van Overbeek, Grard Remunt, Toon Asveld, Nolleke Staak, Hannes Lepelders en andere gemeentearbeiders niet op hun gereedschap hingen. In de bossen van de Scheeken en langs paden en wegen kapte Piet, als het in z'n opzichterskraam te pas kwam, de ene musterd na de andere houtbos en in de buurtschappen stimuleerde hij de bewoners om de zandwegen en fietspaden op te maken.
Op het gemeentehuis smeerde hij de brandspuit, hanteerde hij stoffer en blik, schreef hij êrbêiersbriefkes uit, gebruikte hij prevaat en provoost en luisterde hij naar de burgemeester als er onder andere een koe kapot was. Was er een koe, varken of paard kapot en door de keurmeester goedgekeurd dan was het Piet, die met een bel rondfietste en het uithaluur op het slachthuis bekend maakte.
Als veldwachter trilde Piet op eigen wijze mee met het levensrytme van het dorp. De hele dag liep of fietste hij rond en zag er op toe, dat dit dorpse rytme niet werd verstoord. Met een mild kloppend hart benaderde hij de stroper, die een strikske zette; de kroegbaas, die in zijn stil kroegske een sneveltje schonk; de herbergier, die de sluitingswet schond; de deugniet, die vogelnestjes uithaalde; de fietser, die langs het Duitse lijntje reed; de avondschooier, die hij op weg naar het logement in Boxtel begeleidde. "Ok al viet ie wel 'ns iemes bè z'n oorlel, 't waar ginne kaoie Piet. Van inborst waar 't 'ne goeie vent", beweerde Kulhannes.
Streng trad hij op tegen de man, die graan uit andermans schuur, hout uit andermans bos of spek uit andermans kuip haalde. Ook de man, die baldadigheid uithaalde, andermans eigendom vernielde, of degene, die op zijn tenen trapte, vonden in de scherpziende ogen van de besnorde veldwachter geen gena.
Piet zag en hoorde alles. Was er een koe kapot, Piet wist het. Had iemand stiekum hout uit de bossen gehaald, Piet wist het. Rook ie onraad, Piet was er. Hij was overal en nergens, maar daar waar ie zijn moest, was hij. Eventueel kroop hij ter plekke achter 'nen boom, een heg of houtmijt en kwam tevoorschijn, als 't nodig was. Veelal volgde dan een waarschuwing, een vermaning of oorveeg. Tot een bekeuring kwam hij zelden of nooit. Veeleer hielp hij de mensen weer op het dorpse pad dat leidde naar respect voor elkaars leven en goed.
Volgens Kulhannes "waar Piet nie lomp. Hij há 'n goei miensenverstaond en kos mi iedereen uit de weeg".
Met Jan en alleman akkedeerde hij. Taktvol, rustig en konsekwent trad hij op en schreef zelden een proces verbaal uit. Drie en dertig jaar was hij veldwachter in het dorp en in al die jaren schreef hij niet een bekeuring gemiddeld per jaar uit. Toen burgemeester W. van de Laar eens tegen hem zei, dat hij zo weinig bekeuringen gaf, antwoordde Piet: "Ach burgemister, gao 't dan nie goed in de geminte?" Hier kon de burgemeester niets tegenin brengen. Nee, van bekeuringen hield Piet niet. Dat betekende niet, dat Piet nooit iets zei of deed. Nee, zo af en toe kon hij wel 'ns iemand flink de waarheid zeggen. En ook stopte hij wel 'ns iemand, die bijvoorbeeld te veel gedronken had en te brutaal werd, in de oude toren van de schuurkerk of in het provoost van het gemeentehuis. Kwaad werd hij zelden of nooit. "Mêr ge mos h'm nie op z'n teen trêijen. Es ie 't op z'n horrens kreeg en Piet skoot in z'ne spijker dan din ie Jan en alleman de broek op en wies men mee, dê de veldwaachter ginne êrrepel waar", aldus Kulhannes.
Dat de veldwachter gene aardappel was, ondervonden ooit enkele klanten van de Jan Peres. Hannes en Marte Jan Pere, die eigenlijk Van de Meerakker heetten, hadden met hun zuster, Mie genaamd, een cafe langs het Kattestraatje, vlakbij de Lummelenkooi. Het was een rauw cafe, waar veel jong volk kwam en waar flink gedronken werd. Ook de Jan Peres pruufden er stevig van. Zelfs zo stevig dat Hannes, Marte en Mie van al dat gesnevel 'n blauw neus kregen en ooit niet in de gaten hadden, dat er in hun cafe gevochten werd. Dit gebeurde nog al 'ns tegen sluitingstijd tien uur 's avonds, de tijd dat de veldwachter op het snevelige podium verscheen. Kwamen de vechtende klanten, na gewaarschuwd te hebben, niet tot bedaren, dan kwam de gummieklippel van Piet de veldwachter tevoorschijn en ervaarden ze, dat de veldwachter gene aardappel was.
Piet zag er ook niet uit als 'nen aardappel. "'t Waar 'nen kordate miens mi 'n goei postnur. Es veldwaachter hâ-t-ie 'n vurkommen, dè waar 'n aorighêd", vond Kulhannes.
Piet was 'ne stevige vent. Hij was lang van lijf en leden, had brede schouders en 'ne wit behaarde kop, die gesierd werd door een draaisnor. Boven deze draaisnor bewogen zich twee scherp kijkende ogen en er onder rekte zich een mond, waaruit een vloed van woorden stromen kon.
"Hij kos toch zo'n stukken vertellen. Iedereen hâ g't gêire mi hem te doen". Jazeker, de veldwachter kon merakel buurten. Iedereen, oud en jong, groot en klein, luisterde graag naar hem. Ook als hij zijn beste pak aan had.
Op een doordeweekse dag droeg Piet een gewoon werkpak, een manchesters pak met in de ene binnenzak 'ne gummiklippel en in de andere ooit 'ne revolver. Om zijn voeten staken een paar hoge klompen en op z'n hoofd droeg hij een pet met het wapen van Liempde er op. Zo was ie meestal gekleed. Eenvoudig en zonder opsmuk.
Op zondagen en bijzondere feestdagen trok hij vaak zijn officieel veldwachterstenue aan. Zwarte schoenen, een blauw pak met blinkende knopen en 'n zwartblauwe pet. Op dit pak was Piet erg zuinig. Heel zuinig. Hij had maar één pak en 'n tweede zat er niet aan. Toen zijn pet wat groen uitgeslagen was, vroeg hij aan de gemeente om een kleine bijdrage in de kosten bij aanschaf van een nieuwe pet. Dit punt, de pet van de veldwachter, werd op de raadsagenda geplaatst. En zie! Wat gebeurde er? Na een heftige discussie onder de raadsleden werd zijn verzoek afgewezen.
In z'n goei pak verscheen Piet 's zondags in de kerk en zorgde hij er voor, dat de kerkbezoekers zich godsvruchtig gedroegen. Achter in de kerk had hij z n vaste plaats. Als de pastoor of kapelaan te lang preekte en ook als er niet gepreekt werd, werd er door enkele gelovigen achter in de kerk gepraat. "Sommigten dinnen mikeres z'n best buurten. Worden 't te gek dan din Piet effe hoesten en waar iedereen mee stil", dacht Kulhannes.
Na de Hoogmis liep of fietste de veldwachter in zijn goei pak naar het gemeentehuis om vanaf het bordes het gebooi, dat wil zeggen het gemeentenieuws, bekend te maken. Dit gebeurde bijna iedere zondag, na de mis van tien uur. Eerst liet hij het gebooiklokje klepperen. Dat was het klokje, dat in het torentje van het gemeentehuis hing. Door aan een touw te trekken, dat achter de voordeur van het raadhuis hing, luidde het klokje. Zodra het klokje klepperde kwamen veel boeren en burgers naar het pleintje voor het gemeentehuis gelopen om te horen wat Piet de veldwachter te vertellen had. En Piet had vaak wat te vertellen. De ene week wat meer, de andere week wat minder, maar elke week was er wel wat nieuws. Vaak ging het over de verkoop van hout en bomen, gras en plaggen, de verpachting van gemeentegronden, het brandmerken van paarden, koeien en jong vee om in het Broek te mogen weien en nog vele andere gemeente- en niet gemeentezaken las de veldwachter van een stak papier af. Was ie met het gebooi klaar, dan trok ie weer aan het touwke van het klokje en was het gebooi afgelopen, waarna de veldwachter naar huis toe ging en sommige boeren en klompenmakers in 'n naburige herberg 'n biertje of sneveltje gingen drinken.
Piet de veldwachter was zoals gezegd 'ne grote, stevig gebouwde man. Hij keek wat nors, sprak wat brommerig, was vriendelijk en eenvoudig van aard en had een hart, dat op de goede plaats klopte. "'t Waar 'ne goeie miens en ie nêijde niemes 'n oor aon, ôk al worde d'r iet gedaon wê nie kos", beweerde Kulhannes.
Dit ondervonden Marteke van Drunen, die in de Snijersstraat woonde en Janus van Janne uit Hezelaar.
Zo kwam Marteke van Drunen op 'n avond vanuit Olland over Kasteren en de Molendijk, zo hard als ie kon, naar huis gefietst. Het was hartstikke donker en de carbidlamp van zijn fiets deed het niet. Het kraantje van z'n lamp lekte en de carbid verzoop. Marte zag geen steek. Ook de veldwachter niet, die op dat uur over de bonkige keien van de Molendijk liep. Marteke fietste dan ook met duvels geweld tegen de veldwachter op en viel als 'nen êrdklot op de keien. Even was het stil. Ademloos stil, waarna Marteke met trillende benen overeind kwam, daarbij geholpen door een stevige hand van de veldwachter.
"Zo Marteke, bende gij 't. Es ge slim doet leidde vort oew fiets zonder lamp. Dan rijdde in 't stikkedonker nie nog iemes tussen z'n been". Meer zei Piet niet. Marteke begreep het. Hij wist dat ie fout zat en gaf te kennen, dat hij voortaan met een lichtende carbidlamp in het donker over de Molendijk zou fietsen. Daarmee was de kous af.

Beschrijving

De boerenzoon Piet Egelmeers, geboren te Wintelre 1866, werd veldwachter, eerst in Oirschot en vanaf 1888 te Liempde. In 1910 trouwt hij met Marie en in 1923 kregen ze een dochter, Toos. De veldwachter was geen aardappel, zoals Kulhannes en anderen ondervonden, maar wel een goed mens, zoals Marteke van Drunen ondervond, die in het donker zonder licht reed en tegen hem opbotste, maar toch geen bekeuring kreeg.

Bron

Roger van Laere, KULHANNES, Liempde 1992, 151-156

Commentaar

voor 1992

Naam Overig in Tekst

Kulhannes    Kulhannes   

Piet Egelmeers    Piet Egelmeers   

Caot    Caot   

Marie    Marie   

Kerkeind    Kerkeind   

Weymer    Weymer   

Klytmans    Klytmans   

Toos    Toos   

Mie van den Broek    Mie van den Broek   

Hezelerbroek    Hezelerbroek   

Hannes Waggel    Hannes Waggel   

Willeke Snelders    Willeke Snelders   

Driek van Overbeek    Driek van Overbeek   

Grard Remunt    Grard Remunt   

Nolleke Staak    Nolleke Staak   

Hannes Lepelders    Hannes Lepelders   

Jan Peres    Jan Peres   

Van de Meerakker    Van de Meerakker   

Marteke van Drunen    Marteke van Drunen   

Janus    Janus   

Olland    Olland   

God    God   

Jozef    Jozef   

Maria    Maria   

W. van de Laar    W. van de Laar   

Naam Locatie in Tekst

Wintelre    Wintelre   

Oirschot    Oirschot   

Liempde    Liempde   

Kareltje Kreyveld    Kareltje Kreyveld   

Boxtel    Boxtel   

Toon Asveld    Toon Asveld   

Scheeken    Scheeken   

Kattestraatje    Kattestraatje   

Snijersstraat    Snijersstraat   

Kasteren    Kasteren   

Molendijk    Molendijk   

Kerk    Kerk   

Cornelius    Cornelius   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:20