Hoofdtekst
Van een Iuffrouw die de Pot op vreeten woude.
Een seecker Rijcke Vrouwe woonende tot Grooten-broeck in de Streeck, buyten Enchuysen, alsoo sy op een tijdt sieck was, ontboodt daer over een Medecijne Doctor, ghenaemt Paludanus, begeerende van hem dat hy soo wel wilde doen en ordonneeren haer yets [p. 227] dat haer dienstigh mocht wesen, ghelijck hy dede: Ordineerde haer yet 't welck in een Potjen gedaen wierd, seggende tegen de Apoteeckers knecht brenght dat potjen tot soo een Man, en seght dat het voor sijn Vrouwe is, en dat sy dat te samen innemen sel. De Knecht ginck heen en dede gelijck hem bevoolen was, en quam wederom. Des anderen daeghs is den voorsz Doctor heen ghegaen om te sien hoe het met sijn Patient al was; hy daer komende vraeghde hoe het met haer was, en of sy het inghenomen hadde het geene hy gesonden hadde: Sy voor antwoordt ghevende ten deele, maer de rest is soo hart, dat ick het niet bijtten kan: De Doctor verwondert zijnde, en niet wetende wat hy denken sou, seyde, laet het my eens sien; Sy kreegh dat potjen en liet het hem sien, en seyde, dat in dit potjen geweest is was wel om in te nemen, maer de Pot selve en heb ick noch niet meer van ghegeeten als de Doctor sien kan. De Doctor noch meer verwondertzijnde, begon te lacchen, en seyde Wel Iuffrou, woud ghy de Pot mede opeeten? Sy antwoorde jae, de Knecht heeft my gheseght ick soude het te samen innemen De Doctor wederom seyde Iuffrouw, de Knecht kon het immers in sijn hoet niet brenghen, en seyde voorders Iuffrouw ick moet de Pot met my neemen, doet soo seyde sy; Hy heeft de Pot langhen tijdt bewaert by sijne Raryteyten, [p. 228] en meenigh mensche getoont, also daer een groote hoeck uyt ge-eeten was.
Een seecker Rijcke Vrouwe woonende tot Grooten-broeck in de Streeck, buyten Enchuysen, alsoo sy op een tijdt sieck was, ontboodt daer over een Medecijne Doctor, ghenaemt Paludanus, begeerende van hem dat hy soo wel wilde doen en ordonneeren haer yets [p. 227] dat haer dienstigh mocht wesen, ghelijck hy dede: Ordineerde haer yet 't welck in een Potjen gedaen wierd, seggende tegen de Apoteeckers knecht brenght dat potjen tot soo een Man, en seght dat het voor sijn Vrouwe is, en dat sy dat te samen innemen sel. De Knecht ginck heen en dede gelijck hem bevoolen was, en quam wederom. Des anderen daeghs is den voorsz Doctor heen ghegaen om te sien hoe het met sijn Patient al was; hy daer komende vraeghde hoe het met haer was, en of sy het inghenomen hadde het geene hy gesonden hadde: Sy voor antwoordt ghevende ten deele, maer de rest is soo hart, dat ick het niet bijtten kan: De Doctor verwondert zijnde, en niet wetende wat hy denken sou, seyde, laet het my eens sien; Sy kreegh dat potjen en liet het hem sien, en seyde, dat in dit potjen geweest is was wel om in te nemen, maer de Pot selve en heb ick noch niet meer van ghegeeten als de Doctor sien kan. De Doctor noch meer verwondertzijnde, begon te lacchen, en seyde Wel Iuffrou, woud ghy de Pot mede opeeten? Sy antwoorde jae, de Knecht heeft my gheseght ick soude het te samen innemen De Doctor wederom seyde Iuffrouw, de Knecht kon het immers in sijn hoet niet brenghen, en seyde voorders Iuffrouw ick moet de Pot met my neemen, doet soo seyde sy; Hy heeft de Pot langhen tijdt bewaert by sijne Raryteyten, [p. 228] en meenigh mensche getoont, also daer een groote hoeck uyt ge-eeten was.
Beschrijving
Een vrouw krijgt van de dokter een medicijn voorgeschreven. De dokter laat de knecht het potje met medicijn brengen met de boodschap dat de vrouw het in zijn geheel moet innemen. De vrouw denkt dat ze het potje ook moet opeten.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Overig in Tekst
Enchuysen [Enkhuizen]   
Paludanus   
Naam Locatie in Tekst
Grootebroek [Grooten-Broeck]   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
