Hoofdtekst
VValgigheyt van een Hoovaerdighe en Laetdunckende Snijder.
Een seecker Boer in Mastebroeck, hebbende een Soone die seer jammerlick met de Meppeler Roose gequelt was, dat is de Bedelaers kranckheyt, by de gheleerden ghenaemt Pigritia; de Vader sagh, dat hy sulcken swaren gebreck daer van had, en dat hem d' werk ader ghekrompen was, dachte by hem selven, mijn kindt is niet bequaem om Boeren werck te doen, ick sal hem by een Ambacht bestellen, gelijck hy dede, bracht hem by een Lant-snijder, die by de Boeren ginck naeyen, de welcke men Caldunstockers noemt; en daer een jaer [p. 241] of drie by geweest zijnde reysde naer Hollandt toe, om sijn Ambacht te vervorderen; Daer een tijdt langh gheweest hebbende, quam wederom eens te huys, wesende seer hoovaerdig, (gelijck men seght voor een spreeckwoort, dat een Snijder op een ghehuyrt Peert, het hoovaerdighste schepsel op aerden is.) t'huys wesende sprack hy soo Hollandts dat men hem qualick verstont, hy mocht wel uyt een Sloot ghedroncken hebben daer een Hollander in gescheeten hadde; Hy vraeghde wat een Karne voor een dinck was. Item, Melck-emmers, Melck-vaten, &c. Hy sagh sijn Vader t'huys komen met een voer Hooy, en vraeghde hem waer dat van ghemaeckt worde, of sy dat van Rosijne korven maeckten; De Vader deese malligheydt aen hoorende, seyde, ghy sult met my gaen in't Landt, daer sult ghy het sien; Hy voer met sijn Vader heen, en in t Lant komende, sagh een Hercke leggen, en soo hy sijn Vader vragen wilde hoe het heete, trat op de tanden van de Herke, en seyde, hoe heet dit ding? en eer hy dit woordt uyt brenghen konde, hoe dat ding heet, sloegh hem de Hercke voor sijn tanden, dat hem neus en mondt bloede, doe riep hy, de Duyvel hael de Hercke; De Vader dat siende, worde quaedt, en nam de Hercke en sloegh hem een dicht lijf, en seyde, ick sal dy schelm leeren wat een Hercke is: Hy seyde, o Vader, vergeeft het my, ick dede het om korts [p. 242] wijl, ick oock seide de Vader, daer mede leerde hy alle dinck weder kennen, en was needrigh.
Een seecker Boer in Mastebroeck, hebbende een Soone die seer jammerlick met de Meppeler Roose gequelt was, dat is de Bedelaers kranckheyt, by de gheleerden ghenaemt Pigritia; de Vader sagh, dat hy sulcken swaren gebreck daer van had, en dat hem d' werk ader ghekrompen was, dachte by hem selven, mijn kindt is niet bequaem om Boeren werck te doen, ick sal hem by een Ambacht bestellen, gelijck hy dede, bracht hem by een Lant-snijder, die by de Boeren ginck naeyen, de welcke men Caldunstockers noemt; en daer een jaer [p. 241] of drie by geweest zijnde reysde naer Hollandt toe, om sijn Ambacht te vervorderen; Daer een tijdt langh gheweest hebbende, quam wederom eens te huys, wesende seer hoovaerdig, (gelijck men seght voor een spreeckwoort, dat een Snijder op een ghehuyrt Peert, het hoovaerdighste schepsel op aerden is.) t'huys wesende sprack hy soo Hollandts dat men hem qualick verstont, hy mocht wel uyt een Sloot ghedroncken hebben daer een Hollander in gescheeten hadde; Hy vraeghde wat een Karne voor een dinck was. Item, Melck-emmers, Melck-vaten, &c. Hy sagh sijn Vader t'huys komen met een voer Hooy, en vraeghde hem waer dat van ghemaeckt worde, of sy dat van Rosijne korven maeckten; De Vader deese malligheydt aen hoorende, seyde, ghy sult met my gaen in't Landt, daer sult ghy het sien; Hy voer met sijn Vader heen, en in t Lant komende, sagh een Hercke leggen, en soo hy sijn Vader vragen wilde hoe het heete, trat op de tanden van de Herke, en seyde, hoe heet dit ding? en eer hy dit woordt uyt brenghen konde, hoe dat ding heet, sloegh hem de Hercke voor sijn tanden, dat hem neus en mondt bloede, doe riep hy, de Duyvel hael de Hercke; De Vader dat siende, worde quaedt, en nam de Hercke en sloegh hem een dicht lijf, en seyde, ick sal dy schelm leeren wat een Hercke is: Hy seyde, o Vader, vergeeft het my, ick dede het om korts [p. 242] wijl, ick oock seide de Vader, daer mede leerde hy alle dinck weder kennen, en was needrigh.
Beschrijving
Een boer vindt zijn zoon niet geschikt voor het boerenvak en laat hem een vak leren. De zoon wordt kleermaker en gaat een paar jaar weg. Als hij terugkomt, gedraagt hij zich zeer verwaand.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Naam Overig in Tekst
Mastebroek [Mastebroeck]   
[Hollandt(s)]   
Hollander   
Naam Locatie in Tekst
Holland(s)   
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22
