Hoofdtekst
Van de Onghehoorsaemheydt der Vrouws-persoonen.
Het is gebeurt dat een seker Korve-maker wel by de seven jaren over eene Korf wrochte, en de selve ree zijnde, seide hy tegens sijne Vrouwe dat sy seggen soude, de Heere zy ghedanckt de Korf is ree, Sy seide dat sy dat niet seggen wilde: De Man seide sy soude het doen: Sy niet willende, soo begon hy haer te slaen, en onderwijlen quam'er een Edelman voor by gaen, en seide, waerom slaet ghy u Vrouwe, dat is qualick ghedaen; Hy seide mijn Heer, ick hebbe seven jaer over een Korf ghewrocht, en is nu ree, en ick beveele haer sy sal seggen, de Heere zy ghedanckt de Korf is ree, en sy is soo stijms dat sy dat niet segghen wil; De Edelman seide, is de Hoere stijms sla dan te deghe, voortgaende quam hy in sijn Huys en verhaelde het tegen sijn Vrouwe, daer op zy antwoorde, dat hadde ick oock niet ghedaen, al hadde hy my doodt geslagen. De Edelman seide, wout ghy oock soo stijms wesen? en sloegh de Vrouwe oock een goe poose: De knecht dat siende, vertelde dat tegens de Meyt, die oock aldus seide, ick hadde het oock niet gheseght, al hadde hy my doodt gheslaghen: [p. 243] De Knecht trock oock te werck, en seide, wiltstu Vercken oock stijms wesen, en haer oock lustigh wat om de lendenen gaf; Aldus wierdt de Ongehoorsaemheyt van dese drie Vrouws-persoonen gestraft.
Het is gebeurt dat een seker Korve-maker wel by de seven jaren over eene Korf wrochte, en de selve ree zijnde, seide hy tegens sijne Vrouwe dat sy seggen soude, de Heere zy ghedanckt de Korf is ree, Sy seide dat sy dat niet seggen wilde: De Man seide sy soude het doen: Sy niet willende, soo begon hy haer te slaen, en onderwijlen quam'er een Edelman voor by gaen, en seide, waerom slaet ghy u Vrouwe, dat is qualick ghedaen; Hy seide mijn Heer, ick hebbe seven jaer over een Korf ghewrocht, en is nu ree, en ick beveele haer sy sal seggen, de Heere zy ghedanckt de Korf is ree, en sy is soo stijms dat sy dat niet segghen wil; De Edelman seide, is de Hoere stijms sla dan te deghe, voortgaende quam hy in sijn Huys en verhaelde het tegen sijn Vrouwe, daer op zy antwoorde, dat hadde ick oock niet ghedaen, al hadde hy my doodt geslagen. De Edelman seide, wout ghy oock soo stijms wesen? en sloegh de Vrouwe oock een goe poose: De knecht dat siende, vertelde dat tegens de Meyt, die oock aldus seide, ick hadde het oock niet gheseght, al hadde hy my doodt gheslaghen: [p. 243] De Knecht trock oock te werck, en seide, wiltstu Vercken oock stijms wesen, en haer oock lustigh wat om de lendenen gaf; Aldus wierdt de Ongehoorsaemheyt van dese drie Vrouws-persoonen gestraft.
Beschrijving
Een mandenmaker heeft zeven jaar over een korf gedaan. Als hij eindelijk af is, wil hij dat zijn vrouw zegt: "De heer zij gedankt, de korf is gereed". De vrouw is koppig en weigert en de man slaat haar. Een passerende edelman vraagt waarom hij haar slaat en geeft de man gelijk. De edelman vertelt het aan zijn vrouw en die zegt dat zij ook zou weigeren. De edelman geeft haar een pak rammel. De knecht hoort het en vertelt het aan de meid, die ook zou weigeren en slaag krijgt van de knecht.
Bron
Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen
Commentaar
1659
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22