Registratie zal enige tijd duren. Deze functie is in ontwikkeling.

TAMB264 - Van een besluyt daer een seecker Hoogh-duytsche Pape sijn Predicatie met besloot.

Een mop (kluchtboek), 1659

Hoofdtekst

Van een besluyt daer een seecker Hoogh-duytsche Pape sijn Predicatie met besloot.
Tot een besluyt, soo weetet ghy lieve Luyden, dat die ghene die onsen Heere gekruyst ende ghemartelt hebben, niet sulcke Luyden waren als ghy zijt, maer het waren langhe stercke boeven als onse Dagh-dieven, die Timmer-lieden ende Messelaers, Stercke vette Knollen, en onbeschaemde Ezels als de Dorschers; Godtloos als de verhoerde Koetsiers, Wijn en Bierschenckers, Schippers en Ecke-schuyvers, en Kanen-voerders, Potte-Backers ende Leem-treeders: Meyneedighe dieven als de Haringh-packers, Zout en Kooren [p. 262] meeters. Vuyle krengen als de Vlees-houwers ende Backers. Onnutte Sleupels als de Zeep-sieder, Panne-backer ende Kalck-brander. Rasende beesten als de Kistemaker, Draeyjer, Rade-maecker, Steenhouwer ende Rijm-beslager, oock als de Loot-gieter en Kannegieter. Sy hadden roode Naghels als den onnutten Leer-touwer. Roode baerden als de diefsche Mulder, Tollenaer en Goudt smeeden. Stinckende Honden als de Schoemaker, Rijmsnijder ende Viller. Swarte verloopene troppen als de Smeeden, Kooper-smeeden, Uurwerck-maeckers, Platen-slagers, Sweert-veegers, Ketel-lappers, Verken-snijders, Schoorsteen-veeghers ende Heydenen. Het waren oock alsulcke diefsche, luysighe, ruydighe, gratsige, grundige Schelmen, als de Pelssers, Snijders en Linnen-weevers. Stolte hoovaerdighe en op-gheblasene Slungels, die sich in een ander mans schade verblijden, als de Barbiers, Droogh-scheerders, Messen-smeeden, Malers en Pralers. Het waren oock plompe bengels als de huys en waghen-knechten, en hadden stompe Baerden als de Turcken, Tartaren, Ungaren ende Polacken.

De onsen Heere verriedt dat is Iudas gheweest, soo hoort oock wat voor een sijn Ghesel hy was, hy liet hem een platte scheeren als onse H. Vader, en vervoerde daer door veel Wijven ende Maeghden: Hy maeckte Moeder [p. 263] en Dochter tot Hoeren, als onse Dom-Heeren doen: Het was oock een verloopenen Slungel, als de Kaerte-maecker, Glaser, Touslagher, Zeyle-maecker, Naelde-maecker, Spelde-maecker, Borstel-binder, Compas en Kamme-maecker. Item, het was oock een Smeerrutser en Honighlicker, als de Procureus Advocaten, en andere Pen-lickers: Hy nam gelt, verriedt onschuldigh Bloet, als de Krijghs-luyden en Landts-knechten: Hy was oock heel versmets als een Voermans sweepe; Listigh en op alle voordeel afgherecht, als de Duyvels Wormen, de Gelt en Koorn-Woeckeraers, Gelt beknippers, Koop-luyden, Sloote-maeckers, en Kleyn-smeeden: Hy liet hem met geldt besteecken, als de Amptlieden, Richters, Vooghden ende schrijvers? En hy was gantsch gierigh als de Papen, Hy hadde oock een groote Buydel aen sijn Gordel hanghen, als de Biersleepers tot Lubeck: Hy ginck oock ter Kercken, en hoorde onsen Heere, hy voer lijckwels in sijn boose voornemen voort, als een ander Duyvels Kindt. Hy verstont hem oock wel op liegen, als de Doctoren die op de Marckt staen, de Apteeckers, Sturgers, de Muyse vanghers, Tande-breeckers, Heckel-makers, Luyden beschijtters en Geldt Muysers, en was vergheselschapt met de Kramers, die met de Dobbel-steenen het onder ofte der over en die met meer andere geldt strickjes omloopen, waer [p. 264] van hy koopen en verkoopen leerde: en sy en konden hem niet beschijtten, of sy hielden hem de Neers by de Muyl, doch de Kruycke ginck soo lange te Water dat hem de Hencksel af viel, en hy vertwijffelde in sijn verradischer saken, ginck heen en verhinck hem selven, als of daer gheen Schelmen gheweest waren, die hem aen de Galge konden knopen; Het beste dat aen hem was, is de Huyt gheweest, die sijne schelmse lidtmaten noch een tijdt langh te samen hieldt; maer berste eyndelick oock on-twee, en schudde sijn vervloeckt inghewandt en strondt voor sijn voeten? Over een kleyne wijle quam daer een subtijl swart Duyveltje en voerde sijne verradische Ziele in Nobis Kroegh; Dat Vlees vraten de Doodt-gravers, met de swarte mantelen, dat zijn de Timmer-luyden die haer Axen op de Galgen en Kercken wetten, het welcke zijn de Boheemische Kranen, op goet Duyts swarte Raven, die den selven schelm d'oogen uyt hackten. In somma daer was huyt noch hayr goedt aen hem, want dat hayr was vol Luysen, de huyt de barste dat Vleesch vraten de Raven, de Ziele voer den Duyvel in t lijf: Daerom dan, weest verblijd dat ghy oock sulcke Companen niet en zijt, als desen voorgenoemden verrader en Oly-berger Iudas geweest is, beveele u hier mede het Ampt der H. Misse, ende biddet een Ave Mariae.

[p. 265]
Tot een Besluyt.
Den Leser ghelieve dit voor lief aen te nemen, wy sullen het hier nae beter maecken; want het breedste is noch achter, seyde het Wijf, doe soude sy een Panne kacken, en de steel quam eerst.
EINDE.

Beschrijving

Een priester besluit zijn preek met een opsomming van mensen die Jezus gekruisigd en gemarteld hebben. Ook geeft hij een beschrijving van een 'Judas'. Het blijkt dat het om gewone, alledaagse mensen gaat.

Bron

Jan Pietersz. Meerhuysen, De geest van Jan Tamboer of Uytgeleeze stoffe voor de klucht-lievende ionckheydt, Amsterdam, 1659, drie delen

Commentaar

1659

Naam Overig in Tekst

Jezus [Christus]    Jezus [Christus]   

Judas    Judas   

Ave Maria    Ave Maria   

Turken [Turcken]    Turken [Turcken]   

Tartaren    Tartaren   

Hongaren [Ungaren]    Hongaren [Ungaren]   

Naam Locatie in Tekst

Polen [Polacken]    Polen [Polacken]   

Datum Invoer

2013-03-01 14:46:22