Hoofdtekst
Hij bouwde zijn huisje al op het ijs
En toen hij toen een huisje had,
Toen wou hij dat hij een hennetje had,
en alle menschen vroegen toen,
Hoe of hij dat hennetje noemen zou.
"Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
En toen hij toen een hennetje had,
toen wou hij dat hij een haan had.
En alle menschen vroegen toen,
Hoe of hij die haan heeten zou.
"Koekeloere heet mijn haan,
Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
En toen hij toen een haan had,
Toen wou hij dat hij een paard had.
En alle mensen vroegen toen,
Hoe of hij het paard noemen zou.
"Vlassestaart noem ik mijn paard,
Koekeloere heet mijn haan,
Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
Toen hij toen een paard had,
Toen wou hij, dat hij een wagen had.
En alle mensen vroegen toen,
Hoe of hij de wagen noemen zou.
"Holdedebolder heet me wagen,
Vlassestaart noem ik mijn paard,
Koekeloere heet mijn haan,
Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
En toen hij toen een wagen had,
Toen wou hij, dat hij een knecht had.
En alle mensen vroegen toen,
Hoe of hij de knecht noemen zou.
"Weloprecht noem ik me knecht,
Holdedebolder heet me wagen,
Vlassestaart noem ik mijn paard,
Koekeloere heet mijn haan,
Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
En toen hij toen een knecht had,
Toen wou hij, dat hij een meid had.
En alle mensen vroegen toen,
Hoe of hij de meid noemen zou.
"Welbereid noem ik me meid,
Weloprecht noem ik me knecht,
Holdedebolder heet me wagen,
Vlassestaart noem ik mijn paard,
Koekeloere heet mijn haan,
Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
En toen hij toen een meid had,
Toen wou hij, dat hij een vrouw had.
En alle mensen vroegen toen,
Hoe of hij de vrouw noemen zou.
"Veel getrouw noem ik me vrouw,
Welbereid noem ik me meid,
Weloprecht noem ik me knecht,
Holdedebolder heet me wagen,
Vlassestaart noem ik mijn paard,
Koekeloere heet mijn haan,
Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
En toen hij toen een vrouw had,
Toen wou hij, dat hij een kind had.
En alle mensen vroegen toen,
Hoe of hij het kind noemen zou.
"Welbemind noem ik me kind,
Veel getrouw noem ik me vrouw,
Welbereid noem ik me meid,
Weloprecht noem ik me knecht,
Holdedebolder heet me wagen,
Vlassestaart noem ik mijn paard,
Koekeloere heet mijn haan,
Kriele heet mijn hennetje,
's Avonds op een donker hok,
's Morgens op een relletje."
Maar dat mannetje was niet wijs,
Die bouwde zijn huisje op het ijs.
Want toen het ophield met vriezen,
Toen moest hij zijn huisje verliezen.
Onderwerp
AT 2010 I A - The Animals with Queer Names   
ATU 2010IA - The Animals with Peculiar Names   
Beschrijving
Bron
Commentaar
Naam Overig in Tekst
Kriele   
Koekeloere   
Vlassestaart   
Holderdebolder   
Weloprecht   
Welbereid   
Veelgetrouw   
Welbemind   
