Hoofdtekst
Drie studenten wedden wie van hen de vrouw van een molenaar gebruiken zal, terwijl de molenaar er het dichtst bij is. De vrouw wordt overgehaald hen ter wille te zijn. De eerste gaat naar den molenaar en zegt: "Ik wil wedden, dat ik jou en je vrouw en twee balen meel tegelijk optillen zal. Maar ik moet alle beenen neerleggen, zooals ik wil." Hij legt den molenaar op een baal en onder een baal en daar de vrouw boven op. Nadat hij klaar is, zegt hij: "Ik geef het op, want het gaat toch niet." "Dat heb ik je wel gezegd," zeit de molenaar. De tweede kijkt door de ruiten en zegt: "Dat komt toch niet te pas, dat je je vrouw zoent, terwijl ieder het kan zien." "Maar ik doe niets." "Ik zie het toch duidelijk." "Kom dan zelf kijken." De student gebruikt de vrouw en de molenaar zegt: "Schei toch uit!" "Maar ik doe niets." "Ga als de weerlicht van mijn wijf af." "Maar ik doe niets." "Dan zit het hem zeker in de ruiten en die moeten dan veranderd worden." De derde is dokter. Vrouw moet zich ziek houden. De molenaar loopt vergeefs heen en weer. Eindelijk komt de dokter en zegt: "Het is heel bedenkelijk; ze kan alleen gered worden als ze beslapen wordt." De boer is te vermoeid. De dokter zegt: "Dat is ongelukkig, want je moet het goed doen; anders moet je vrouw sterven." "Nou dokter, doet u het dan voor mij." Deze won het dus.
Een tweede versie van dit verhaaltje luidt:
Drie studenten wedden wie een boerin (lees: molenaarsvrouw) gebruiken zou, zóó dat de boer er zelf bij was. De eerste stelt voor dat hij den boer en zijn vrouw en een zak graan tegelijk kan optillen. Deze wil dat wel eens zien. De boer gaat op den grond liggen. De student legt den zak op hem en daarop de vrouw en doet dan zijn zin met de boerin, terwijl de boer denkt dat hij het zaakje tracht op te tillen. Als hij eindelijk klaar is, zegt hij dat hij verloren heeft en ze niet tegelijk kan optillen. De tweede zegt, dat hij een kunstje weet om te maken dat als je om het raam ziet het net is alsof je samen vleeschelijke gemeenschap hebt. Hij strijkt of doet dan wat over het raam (om dit te betooveren) en zegt tegen den boer dat hij maar naar buiten moet gaan om te kijken. Dan ziet de boer daar dat de student en zijn vrouwe werkelijk aan de gang zijn; hij kijkt even toe, maar loopt dan naar binnen om te zeggen dat ze uit moeten scheiden. Maar toen hij binnen kwam, zaten ze natuurlijk gewoon naast elkaar en vertelden dat ze zoo den heelen tijd gezeten hadden. Toen moest hij de glazen natuurlijk weer onttooveren. De eerste student had toen alvast de weddenschap verloren, want bij den tweede had de boer het feit zelf gezien.
Maar de derde wist nog wat beters te bedenken. Deze sprak met de boerin af, dat ze zich doodziek zou houden. In den nacht moest de boer dus den dokter halen, en dat was de derde student. Deze komt bij diens huis, maar de student wil niet mee. Dan komt de boer weer thuis en zijn vrouw doet of ze hoe langer hoe zieker wordt, zoodat er niets anders op zit dan dat hij weer naar den dokter gaat. Maar die wil weer niet mee. Dat gaat zoo nog een paar maal zoo, totdat de dokter eindelijk mee wil gaan als de boer hem draagt. Zoo komen ze bij de boerin, die doet of ze op sterven ligt. De dokter kijkt heel bedenkelijk en zegt dat er maar één middel is, namelijk dat ze dadelijk wordt beslapen. De boer is van al dat loopen en dragen echter te moe geworden dan dat hij dat zou kunnen doen; hij probeert wel, maar het gaat niet. Toen zei hij: "Dokter, zou jij het voor me willen doen?" Zoo won hij de weddenschap, want hij deed het niet alleen, terwijl de boer erbij was; maar die had het hem zelf gevraagd.
Een tweede versie van dit verhaaltje luidt:
Drie studenten wedden wie een boerin (lees: molenaarsvrouw) gebruiken zou, zóó dat de boer er zelf bij was. De eerste stelt voor dat hij den boer en zijn vrouw en een zak graan tegelijk kan optillen. Deze wil dat wel eens zien. De boer gaat op den grond liggen. De student legt den zak op hem en daarop de vrouw en doet dan zijn zin met de boerin, terwijl de boer denkt dat hij het zaakje tracht op te tillen. Als hij eindelijk klaar is, zegt hij dat hij verloren heeft en ze niet tegelijk kan optillen. De tweede zegt, dat hij een kunstje weet om te maken dat als je om het raam ziet het net is alsof je samen vleeschelijke gemeenschap hebt. Hij strijkt of doet dan wat over het raam (om dit te betooveren) en zegt tegen den boer dat hij maar naar buiten moet gaan om te kijken. Dan ziet de boer daar dat de student en zijn vrouwe werkelijk aan de gang zijn; hij kijkt even toe, maar loopt dan naar binnen om te zeggen dat ze uit moeten scheiden. Maar toen hij binnen kwam, zaten ze natuurlijk gewoon naast elkaar en vertelden dat ze zoo den heelen tijd gezeten hadden. Toen moest hij de glazen natuurlijk weer onttooveren. De eerste student had toen alvast de weddenschap verloren, want bij den tweede had de boer het feit zelf gezien.
Maar de derde wist nog wat beters te bedenken. Deze sprak met de boerin af, dat ze zich doodziek zou houden. In den nacht moest de boer dus den dokter halen, en dat was de derde student. Deze komt bij diens huis, maar de student wil niet mee. Dan komt de boer weer thuis en zijn vrouw doet of ze hoe langer hoe zieker wordt, zoodat er niets anders op zit dan dat hij weer naar den dokter gaat. Maar die wil weer niet mee. Dat gaat zoo nog een paar maal zoo, totdat de dokter eindelijk mee wil gaan als de boer hem draagt. Zoo komen ze bij de boerin, die doet of ze op sterven ligt. De dokter kijkt heel bedenkelijk en zegt dat er maar één middel is, namelijk dat ze dadelijk wordt beslapen. De boer is van al dat loopen en dragen echter te moe geworden dan dat hij dat zou kunnen doen; hij probeert wel, maar het gaat niet. Toen zei hij: "Dokter, zou jij het voor me willen doen?" Zoo won hij de weddenschap, want hij deed het niet alleen, terwijl de boer erbij was; maar die had het hem zelf gevraagd.
Beschrijving
Drie studenten wedden wie van hen een vrouw kan gebruiken, terwijl haar man er het dichtst bij is.
Bron
Collectie Boekenoogen (archief Meertens Instituut)
Commentaar
eind 19e eeuw
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:22