Hoofdtekst
Van het Winterkoninkje. A.
ln den tijd toen de dieren nog verstaanbaar spraken is er eens een groote vergadering van vogels geweest en alle vogels waren daar tegenwoordig. De viervoetige dieren hadden een koning en nu vonden de vogels dat het niet aanging dat zij het zonder zouden stellen. Ze hadden dus besloten om gezamenlijk te beraadslagen wie hun koning zou worden.
Zoo waren dan alle vogels op hun post en de vergadering begon, maar het duurde lang voor ze tot een besluit kwamen, want ieder wou zelf koning worden. Dat kon nu eenmaal niet, en daarom werd ten slotte besloten dat wie het hoogst zou kunnen vliegen koning over allen zou wezen.
Den volgenden morgen zou de wedstrijd plaats hebben. De haan alleen was niet erg tevreden over het besluit, want hij wist dat hij het wel niet winnen zou; maar hij troostte er zich mee dat hij toch in elk geval koning over de kippen was. En toen het 's morgens dag werd kraaide hij er lustig op los, totdat alle vogels wakker waren.
Het duurde niet lang of de wedstrijd kon beginnen. Alle vogels sloegen hun vlerken uit en vlogen op. Het was een gefladder en een geklapper zooals men nog nooit had gehoord. De leeuwerik steeg recht naar den hemel, en de reiger, en de sperwer, en de havik waren ook weldra heel hoog; maar heel veel andere vogels bleven dadelijk achter en gaven dus den strijd maar op. Het hoogst van allen kwam echter de gansarend (1). Een voor een haalde hij de andere vogels in en geen van hen kon het tegen hem uithouden. Hij zag dus dat hij het gewonnen had en riep toen met schorre stem, want hij was doodop: "Hier ben ik!" Maar toen riep een klein vogeltje boven zijn hoofd met schelle stem: "En hier ben ik!" Dat was het winterkoninkje, dat stilletjes op den rug van den arend was gaan zitten en zich zoo naar boven had laten dragen. De gansarend was woedend, maar hij was te vermoeid om nog hooger te vliegen en het winterkoninkje was dus hooger in de lucht opgestegen dan hij.
Toen alle vogels weer bij elkaar waren moesten ze dus eigenlijk het winterkoninkje tot koning uitroepen, maar niemand wilde zoo'n klein nietig vogeltje als koning erkennen. En of het winterkoninkje al zei dat men zich aan het besluit van den vorigen dag moest houden, het gaf hem niets: men verklaarde dat naar recht en billijkheid de gansarend koning moest worden. En het winterkoninkje kreeg het van alle kanten zoo te kwaad dat het moest vluchten, wilde het er zijn leven af brengen.
Het vloog dus weg en kroop in het gat van een hollen boom, zoodat de andere vogels niet bij hem konden komen. Maar ze waren hem achterna gevlogen en de gansarend droeg nu aan den katuil op om te waken dat het winterkoninkje niet uit het gat ontsnapte.
Zoo stond de uil dus op schildwacht en keek met zijn groote ronde oogen naar het gat, en telkens als het winterkoninkje zijn kop naar buiten stak, sloeg de uil er naar met zijn poot, maar wip! was dan de kop weer verdwenen. Dat duurde zoo een heelen tijd en de uil, die ook mee gevlogen had, begon slaperig te worden. Zoo deed hij zijn eene oog toe en keek alleen met het andere; maar eindelijk kon hij ook dit niet meer openhouden en hij viel heelemaal in slaap. Zoodra het winterkoninkje dat merkte, vloog het weg.
Toen de uil zijn oogen weer opendeed was de gevangene dus gevlogen, en daarom roept de katuil nog altijd klagend: "Er-oet, er-oet!" (2) Maar het winterkoninkje roept: "Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!" Maar het is nog altijd bang voor de andere vogels en het houdt zich dus schuil en het durft dit alleen te roepen als het zeker weet dat er geen andere vogels in de buurt zijn.
1. Aquila albicilla. 2. er uit, er uit!
ln den tijd toen de dieren nog verstaanbaar spraken is er eens een groote vergadering van vogels geweest en alle vogels waren daar tegenwoordig. De viervoetige dieren hadden een koning en nu vonden de vogels dat het niet aanging dat zij het zonder zouden stellen. Ze hadden dus besloten om gezamenlijk te beraadslagen wie hun koning zou worden.
Zoo waren dan alle vogels op hun post en de vergadering begon, maar het duurde lang voor ze tot een besluit kwamen, want ieder wou zelf koning worden. Dat kon nu eenmaal niet, en daarom werd ten slotte besloten dat wie het hoogst zou kunnen vliegen koning over allen zou wezen.
Den volgenden morgen zou de wedstrijd plaats hebben. De haan alleen was niet erg tevreden over het besluit, want hij wist dat hij het wel niet winnen zou; maar hij troostte er zich mee dat hij toch in elk geval koning over de kippen was. En toen het 's morgens dag werd kraaide hij er lustig op los, totdat alle vogels wakker waren.
Het duurde niet lang of de wedstrijd kon beginnen. Alle vogels sloegen hun vlerken uit en vlogen op. Het was een gefladder en een geklapper zooals men nog nooit had gehoord. De leeuwerik steeg recht naar den hemel, en de reiger, en de sperwer, en de havik waren ook weldra heel hoog; maar heel veel andere vogels bleven dadelijk achter en gaven dus den strijd maar op. Het hoogst van allen kwam echter de gansarend (1). Een voor een haalde hij de andere vogels in en geen van hen kon het tegen hem uithouden. Hij zag dus dat hij het gewonnen had en riep toen met schorre stem, want hij was doodop: "Hier ben ik!" Maar toen riep een klein vogeltje boven zijn hoofd met schelle stem: "En hier ben ik!" Dat was het winterkoninkje, dat stilletjes op den rug van den arend was gaan zitten en zich zoo naar boven had laten dragen. De gansarend was woedend, maar hij was te vermoeid om nog hooger te vliegen en het winterkoninkje was dus hooger in de lucht opgestegen dan hij.
Toen alle vogels weer bij elkaar waren moesten ze dus eigenlijk het winterkoninkje tot koning uitroepen, maar niemand wilde zoo'n klein nietig vogeltje als koning erkennen. En of het winterkoninkje al zei dat men zich aan het besluit van den vorigen dag moest houden, het gaf hem niets: men verklaarde dat naar recht en billijkheid de gansarend koning moest worden. En het winterkoninkje kreeg het van alle kanten zoo te kwaad dat het moest vluchten, wilde het er zijn leven af brengen.
Het vloog dus weg en kroop in het gat van een hollen boom, zoodat de andere vogels niet bij hem konden komen. Maar ze waren hem achterna gevlogen en de gansarend droeg nu aan den katuil op om te waken dat het winterkoninkje niet uit het gat ontsnapte.
Zoo stond de uil dus op schildwacht en keek met zijn groote ronde oogen naar het gat, en telkens als het winterkoninkje zijn kop naar buiten stak, sloeg de uil er naar met zijn poot, maar wip! was dan de kop weer verdwenen. Dat duurde zoo een heelen tijd en de uil, die ook mee gevlogen had, begon slaperig te worden. Zoo deed hij zijn eene oog toe en keek alleen met het andere; maar eindelijk kon hij ook dit niet meer openhouden en hij viel heelemaal in slaap. Zoodra het winterkoninkje dat merkte, vloog het weg.
Toen de uil zijn oogen weer opendeed was de gevangene dus gevlogen, en daarom roept de katuil nog altijd klagend: "Er-oet, er-oet!" (2) Maar het winterkoninkje roept: "Koning, koning ben ik-kik-kik-kik-kik!" Maar het is nog altijd bang voor de andere vogels en het houdt zich dus schuil en het durft dit alleen te roepen als het zeker weet dat er geen andere vogels in de buurt zijn.
1. Aquila albicilla. 2. er uit, er uit!
Onderwerp
AT 0221 - The Election of Bird-king   
ATU 0221 - The Election of King of Birds.   
Beschrijving
De vogels willen een koning. Er wordt een wedstrijd gehouden: wie het hoogste kan vliegen, wordt de koning. De arend vliegt het hoogst, maar er zit een winterkoninkje op zijn rug die het koningschap opeist. De vogels weigeren het winterkoninkje als vorst te erkennen en kiezen voor de arend. Het winterkoninkje vlucht in een gat in een boom. De uil wordt voor het gat gezet als zijn bewaker. Zodra de uil in slaap valt, ontsnapt het winterkoninkje. En nog alle dagen roept hij als er geen andere vogels in de buurt zijn: "Koning ben ik-kik-kik-kik-kik."
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 15 (1903), pp.72-73 N°27A
Commentaar
1894
Vgl. SINVS001
The Election of Bird-king
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
