Hoofdtekst
De lange Lente.
Er waren eens een boer en boerin. 't Was winter. De slachttijd was voorbij en hun schoorsteen hing vol met worst en ham en zijden spek, maar toch moest de vrouw telkens vleesch koopen van den slager, op de dagen als zij geen gort of karnemelksbrij aten. Wanneer de boerin vroeg: "Waarom mag ik de worst die in den schoorsteen hangt niet koken?" zei de boer: "Och vrouw, die is voor de lange Lente." En altijd was het hetzelfde antwoord. De vrouw durfde niet tegenspreken, maar zij dacht bij zichzelf: "De lange Lente? De lange Lente? Wie zou dat wel zijn?" En zoo liep zij altijd te denken over die lange Lente, waar al die heerlijke worstjes voor bestemd waren.
Nu gebeurde het op een kouden winterdag dat een arme man aan de boerderij kwam, juist toen de boer van huis was. Hij stapte naar binnen en vroeg of hij zich wat mocht warmen, en omdat de boerin medelijden had liet ze hem bij het vuur komen. De man had honger en keek met begeerige oogen naar de worst die hij zag hangen en zei: "Als al die worstjes eens voor mij waren!" "Nee," zei de boerin, "die zijn voor de lange Lente." Maar toen zag ze dat de man erg lang was en ze vroeg dus: "Die bent u toch immers niet?" Toen merkte de man wel dat hij met een onnoozel vrouwtje te doen had en hij zei: "Is die worst en ham voor de lange Lente, dan is het goed dat ik er naar gevraagd heb, want dan zijn ze voor mij. En ik zal ze meteen maar meenemen, want ik heb net mijn handen vrij." "Wel," zei de boerin, "dat is toevallig: toen u binnen kwam had ik niet gedacht dat u die lange Lente was voor wien mijn man alles wou bewaren, maar ik kende u ook niet. Neem dan den boel maar mee, want mijn man vindt het goed." Dat liet hij zich natuurlijk geen tweemaal zeggen en niet heel lang daarna stapte hij belast en beladen de deur uit.
Hij was al een heele poos weg, toen de boer thuis kwam. De boerin liep op hem toe en het eerste wat ze zei was: "Verbeeld je, man, de lange Lente is er geweest en heeft al onze worst en spek en ham meegenomen, en hij laat er je wel voor bedanken." "Wat bazel je daar?" zei de boer, "je hebt onze worst toch niet weggegeven?" "Wel zeker," zei de boerin, "we moesten het immers voor de lange Lente bewaren, en die is het zoo pas komen halen." Je kunt begrijpen dat de boer nijdig was, toen hij het heele geval hoorde. Maar hij dacht: als ik dien vent achterna rijd zal ik hem nog wel inhalen, want met zoo'n zwaar pak loop-je niet hard. Hij zadelde dus zijn beste paard en reed weg in de richting waarin zijn vrouw de lange Lente had zien weggaan. Eindelijk aan het begin van een bosch had hij hem ingehaald, maar de man had het paard in de verte hooren aankomen en vertrouwde de zaak niet recht. Hij verstopte zijn pak dus gauw aan den kant van den weg en liep toen den boer tegemoet. Toen deze iemand zag, hield hij stil en vroeg: "Ben-je niet een man tegengekomen met een zwaar pak?" "Wel zeker," zei de ander, "net zoo pas; ik vroeg waar hij heenging, maar dat wou hij niet zeggen, en toen is hij dwars het bosch ingegaan." "Zoo!" zei de boer; "maar hoe kan ik hem daar achterna met mijn paard?" "Nou, ik wil je paard wel even vasthouden." "Als-je-blieft," zei de boer, en hij steeg af en was in een ommezien in het bosch verdwenen. Maar niet zoo gauw was hij uit het gezicht, of de ander zat met zijn pak op het paard en maakte dat hij wegkwam. Toen kon de boer op zijn voetjes naar huis toe wandelen, als hij ten minste niet in het bosch wou blijven wachten tot de lange Lente zijn paard terugbracht.
Er waren eens een boer en boerin. 't Was winter. De slachttijd was voorbij en hun schoorsteen hing vol met worst en ham en zijden spek, maar toch moest de vrouw telkens vleesch koopen van den slager, op de dagen als zij geen gort of karnemelksbrij aten. Wanneer de boerin vroeg: "Waarom mag ik de worst die in den schoorsteen hangt niet koken?" zei de boer: "Och vrouw, die is voor de lange Lente." En altijd was het hetzelfde antwoord. De vrouw durfde niet tegenspreken, maar zij dacht bij zichzelf: "De lange Lente? De lange Lente? Wie zou dat wel zijn?" En zoo liep zij altijd te denken over die lange Lente, waar al die heerlijke worstjes voor bestemd waren.
Nu gebeurde het op een kouden winterdag dat een arme man aan de boerderij kwam, juist toen de boer van huis was. Hij stapte naar binnen en vroeg of hij zich wat mocht warmen, en omdat de boerin medelijden had liet ze hem bij het vuur komen. De man had honger en keek met begeerige oogen naar de worst die hij zag hangen en zei: "Als al die worstjes eens voor mij waren!" "Nee," zei de boerin, "die zijn voor de lange Lente." Maar toen zag ze dat de man erg lang was en ze vroeg dus: "Die bent u toch immers niet?" Toen merkte de man wel dat hij met een onnoozel vrouwtje te doen had en hij zei: "Is die worst en ham voor de lange Lente, dan is het goed dat ik er naar gevraagd heb, want dan zijn ze voor mij. En ik zal ze meteen maar meenemen, want ik heb net mijn handen vrij." "Wel," zei de boerin, "dat is toevallig: toen u binnen kwam had ik niet gedacht dat u die lange Lente was voor wien mijn man alles wou bewaren, maar ik kende u ook niet. Neem dan den boel maar mee, want mijn man vindt het goed." Dat liet hij zich natuurlijk geen tweemaal zeggen en niet heel lang daarna stapte hij belast en beladen de deur uit.
Hij was al een heele poos weg, toen de boer thuis kwam. De boerin liep op hem toe en het eerste wat ze zei was: "Verbeeld je, man, de lange Lente is er geweest en heeft al onze worst en spek en ham meegenomen, en hij laat er je wel voor bedanken." "Wat bazel je daar?" zei de boer, "je hebt onze worst toch niet weggegeven?" "Wel zeker," zei de boerin, "we moesten het immers voor de lange Lente bewaren, en die is het zoo pas komen halen." Je kunt begrijpen dat de boer nijdig was, toen hij het heele geval hoorde. Maar hij dacht: als ik dien vent achterna rijd zal ik hem nog wel inhalen, want met zoo'n zwaar pak loop-je niet hard. Hij zadelde dus zijn beste paard en reed weg in de richting waarin zijn vrouw de lange Lente had zien weggaan. Eindelijk aan het begin van een bosch had hij hem ingehaald, maar de man had het paard in de verte hooren aankomen en vertrouwde de zaak niet recht. Hij verstopte zijn pak dus gauw aan den kant van den weg en liep toen den boer tegemoet. Toen deze iemand zag, hield hij stil en vroeg: "Ben-je niet een man tegengekomen met een zwaar pak?" "Wel zeker," zei de ander, "net zoo pas; ik vroeg waar hij heenging, maar dat wou hij niet zeggen, en toen is hij dwars het bosch ingegaan." "Zoo!" zei de boer; "maar hoe kan ik hem daar achterna met mijn paard?" "Nou, ik wil je paard wel even vasthouden." "Als-je-blieft," zei de boer, en hij steeg af en was in een ommezien in het bosch verdwenen. Maar niet zoo gauw was hij uit het gezicht, of de ander zat met zijn pak op het paard en maakte dat hij wegkwam. Toen kon de boer op zijn voetjes naar huis toe wandelen, als hij ten minste niet in het bosch wou blijven wachten tot de lange Lente zijn paard terugbracht.
Onderwerp
AT 1541 - For the Long Winter   
ATU 1541 - For the Long Winter.   
Beschrijving
Een boer bewaart worsten, ham en spek, waar zijn vrouw niet van mag gebruiken. Zij vraagt waar voor dat vlees bedoeld is en krijgt als antwoord, voor de lange lente. Een man hoort dit en doet zich voor als de lange lente en krijgt van de boerin alles mee. De boer gaat hem op een paard echter achterna. Bij het bos verstopt de man zijn buit en vraagt de boer wie hij zoekt. De boer legt het uit en de man zegt dat de dief het bos is ingegaan. De boer kan het bos alleen maar lopend in en de man biedt aan zolang op het paard te passen. Zodra de boer in het bos is verdwenen, haalt de man zijn buit op en vlucht met het paard.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 15 (1903), pp. 185-187 N°40
Commentaar
1894
vgl. CBOEK070
For the Long Winter
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
