Hoofdtekst
Van een gebochelden prins.
Er was eens een koning, en die had drie zoons. Twee ervan waren recht van lijf en leden, maar de derde was gebocheld. Toch was de derde algemeen bemind, want hij was goed en vriendelijk terwijl de twee oudste prinsen losbollen waren, en trotsch en zelfzuchtig.
De prinsen werden volwassen en het werd tijd dat ze naar een vrouw omzagen. Nu was er in een naburig land een wonderschone prinses en de koning zou die wel graag tot schoondochter hebben. Hij zond dus een bode om haar hand voor een van zijn zoons te vragen. Haar vader antwoordde dat hij tegen het aanzoek geen bezwaar had, als de koning zijn jongsten zoon wilde zenden, van wien hij de braafheid had hooren roemen, en als zijn dochter in het huwelijk toestemde. Toch zond de koning niet den jongsten, maar den oudsten prins om naar haar hand te dingen. Maar hoe'n flinken indruk hij ook maakte door zijn postuur, het duurde niet lang of hij had het aan het vreemde hof heelemaal verkorven door zijn trotschheid en ongemanierdheid. Hij werd dan ook al heel gauw weggestuurd met de boodschap, dat zijn jongste broer moest komen.
Toch zond de oude koning zijn tweeden zoon en die maakte het niet veel beter dan de ander, zoodat het heel begrijpelijk was dat men hem ook niet langer wilde houden. Maar het geduld van den vader der prinses was uitgeput en hij zond dus bericht, dat als niet dadelijk de jongste zoon kwam, hij oorlog zou maken. De koning durfde toen niet langer weigeren en hij zond dus zijn jongsten zoon. De gebochelde prins werd met vreugde ontvangen. Door zijn goedheid en beminnelijkheid won hij het hart van de prinses. Zij trouwden samen en leefden heel gelukkig en werden na haars vaders dood koning en koningin.
Er was eens een koning, en die had drie zoons. Twee ervan waren recht van lijf en leden, maar de derde was gebocheld. Toch was de derde algemeen bemind, want hij was goed en vriendelijk terwijl de twee oudste prinsen losbollen waren, en trotsch en zelfzuchtig.
De prinsen werden volwassen en het werd tijd dat ze naar een vrouw omzagen. Nu was er in een naburig land een wonderschone prinses en de koning zou die wel graag tot schoondochter hebben. Hij zond dus een bode om haar hand voor een van zijn zoons te vragen. Haar vader antwoordde dat hij tegen het aanzoek geen bezwaar had, als de koning zijn jongsten zoon wilde zenden, van wien hij de braafheid had hooren roemen, en als zijn dochter in het huwelijk toestemde. Toch zond de koning niet den jongsten, maar den oudsten prins om naar haar hand te dingen. Maar hoe'n flinken indruk hij ook maakte door zijn postuur, het duurde niet lang of hij had het aan het vreemde hof heelemaal verkorven door zijn trotschheid en ongemanierdheid. Hij werd dan ook al heel gauw weggestuurd met de boodschap, dat zijn jongste broer moest komen.
Toch zond de oude koning zijn tweeden zoon en die maakte het niet veel beter dan de ander, zoodat het heel begrijpelijk was dat men hem ook niet langer wilde houden. Maar het geduld van den vader der prinses was uitgeput en hij zond dus bericht, dat als niet dadelijk de jongste zoon kwam, hij oorlog zou maken. De koning durfde toen niet langer weigeren en hij zond dus zijn jongsten zoon. De gebochelde prins werd met vreugde ontvangen. Door zijn goedheid en beminnelijkheid won hij het hart van de prinses. Zij trouwden samen en leefden heel gelukkig en werden na haars vaders dood koning en koningin.
Beschrijving
Een koning heeft drie zoons. Twee zijn recht van lijf en leden, maar ze willen niet deugen. Een zoon is gebocheld, maar braaf. Het wordt tijd dat ze gaan trouwen. Een naburige koning zendt bericht dat de zoon (bedoeld wordt: de deugdzame gebochelde) gestuurd moest worden om met zijn dochter te trouwen. De eerste zoon wordt gestuurd, maar moet terug. Ook de tweede zoon wordt weer teruggezonden. De naburige koning dreigt met oorlog als de gebochelde zoon niet gestuurd wordt. Dit gebeurt. De gebochelde zoon trouwt de prinses en ze krijgen een gelukkig huwelijk.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 16 (1904), p. 140 N°55
Commentaar
1902
Vgl. CBAK0315
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20