Hoofdtekst
Van de goede en de hebzuchtige vrouw.
In een dorp woonde een arm vrouwtje, dat met hard werken haar kostje won. Eens op den laten avond werd er aan haar deur geklopt en toen ze opendeed stond daar een reiziger die om nachtverblijf vroeg. "Wel, me goeie man," zei ze, "kom maar gerust binnen; 't is veel te koud om buiten te blijven. Maar je moet met weinig tevreden wezen, want ik ben maar een arm mensch." De man kwam dus binnen en het vrouwtje haalde kaas en brood uit de kast en maakte een bed voor hem klaar en ze verzorgde hem of hij haar eigen kind was.
Toen het morgen geworden was, nam de reiziger afscheid en zei: "Omdat je me zoo bereidwillig en vriendelijk gehuisvest hebt, moog-je een wensch doen en die wensch zal vervuld worden." Dat had ons vrouwtje niet verwacht, en ze dacht eerst dat het gekheid was. "Neen," zei de man, "doe maar gerust een wensch; ik meen het in ernst." Toen zei ze: "Dan zou ik wel graag willen, dat ik met het eerste werk dat ik aanstonds zal doen niet voor vanavond klaar was." "Dat zal gebeuren," zei de man en hij reisde verder.
Het eerste wat de vrouw deed was het stuk linnen dat ze had voor den dag te halen en te gaan meten hoeveel el het was. En jawel, hoe ze ook meette, er kwam maar geen eind aan het stuk en de heele kamer lag eindelijk vol linnen. Dat duurde zoo tot 's nachts twaalf uur; toen had ze zooveel linnen dat ze door het te verkoopen voor geen armoede meer behoefde te vreezen.
Natuurlijk was het nieuws spoedig bekend en moest het vrouwtje aan al de buren vertellen op wat voor wonderbaarlijke wijze zij aan dat linnen gekomen was.
Nu had ze een buurvrouw, een hebzuchtig wijf, dat van jaloerschheid 's nachts niet slapen kon en maar aldoor dacht: "Als die man nou eens bij mij gekomen was, en ik eens een wensch had mogen doen!"
Het gebeurde dan een poos daarna dat de reiziger op zijn terugreis weer in het dorp wilde overnachten en dat hij toen bij die buurvrouw aanklopte. Geen wonder dat hij vriendelijk werd ontvangen; het beste wat ze in huis had werd hem voorgezet en zij maakte het hem zoo aangenaam als ze maar kon. En toen hij 's morgens afscheid nam, vroeg hij ook aan haar wat zij als belooning wenschte. Zij zei toen: "Ik zou wenschen dat alles wat ik aanraak in goud veranderde." "Dat zal gebeuren," zei de man en hij reisde verder.
Nauwelijks was hij weg of ze dacht: "Nou zal ik eens probeeren of het waar is. Dan is er geen rijker mensch op de wereld dan ik." En werkelijk, toen ze de tafel aanraakte was die dadelijk in een gouden tafel veranderd. Ze greep naar een stoel, en ook die was van goud. Ze ging er op zitten en uit blijdschap streek ze haar boezelaar glad, en, kijk, dat was ook in goud veranderd. Maar haar blijdschap was niet van langen duur, want zoo ging het met alles waar ze aan kwam. Toen ze wou gaan eten veranderde ook het brood dat ze in haar mond stak in goud, en zelfs het eten op schotels en schalen werd zoodra ze die opnam klinkklaar goud; de soep in de soeplepel, het water in het glas, de koffie in het kopje: alles was goud, goud, goud! En zoo zat ze te midden van het goud; maar eten kon ze niet, en drinken kon ze niet, en zoo is ze tot straf voor haar begeerigheid van honger en dorst gestorven.
In een dorp woonde een arm vrouwtje, dat met hard werken haar kostje won. Eens op den laten avond werd er aan haar deur geklopt en toen ze opendeed stond daar een reiziger die om nachtverblijf vroeg. "Wel, me goeie man," zei ze, "kom maar gerust binnen; 't is veel te koud om buiten te blijven. Maar je moet met weinig tevreden wezen, want ik ben maar een arm mensch." De man kwam dus binnen en het vrouwtje haalde kaas en brood uit de kast en maakte een bed voor hem klaar en ze verzorgde hem of hij haar eigen kind was.
Toen het morgen geworden was, nam de reiziger afscheid en zei: "Omdat je me zoo bereidwillig en vriendelijk gehuisvest hebt, moog-je een wensch doen en die wensch zal vervuld worden." Dat had ons vrouwtje niet verwacht, en ze dacht eerst dat het gekheid was. "Neen," zei de man, "doe maar gerust een wensch; ik meen het in ernst." Toen zei ze: "Dan zou ik wel graag willen, dat ik met het eerste werk dat ik aanstonds zal doen niet voor vanavond klaar was." "Dat zal gebeuren," zei de man en hij reisde verder.
Het eerste wat de vrouw deed was het stuk linnen dat ze had voor den dag te halen en te gaan meten hoeveel el het was. En jawel, hoe ze ook meette, er kwam maar geen eind aan het stuk en de heele kamer lag eindelijk vol linnen. Dat duurde zoo tot 's nachts twaalf uur; toen had ze zooveel linnen dat ze door het te verkoopen voor geen armoede meer behoefde te vreezen.
Natuurlijk was het nieuws spoedig bekend en moest het vrouwtje aan al de buren vertellen op wat voor wonderbaarlijke wijze zij aan dat linnen gekomen was.
Nu had ze een buurvrouw, een hebzuchtig wijf, dat van jaloerschheid 's nachts niet slapen kon en maar aldoor dacht: "Als die man nou eens bij mij gekomen was, en ik eens een wensch had mogen doen!"
Het gebeurde dan een poos daarna dat de reiziger op zijn terugreis weer in het dorp wilde overnachten en dat hij toen bij die buurvrouw aanklopte. Geen wonder dat hij vriendelijk werd ontvangen; het beste wat ze in huis had werd hem voorgezet en zij maakte het hem zoo aangenaam als ze maar kon. En toen hij 's morgens afscheid nam, vroeg hij ook aan haar wat zij als belooning wenschte. Zij zei toen: "Ik zou wenschen dat alles wat ik aanraak in goud veranderde." "Dat zal gebeuren," zei de man en hij reisde verder.
Nauwelijks was hij weg of ze dacht: "Nou zal ik eens probeeren of het waar is. Dan is er geen rijker mensch op de wereld dan ik." En werkelijk, toen ze de tafel aanraakte was die dadelijk in een gouden tafel veranderd. Ze greep naar een stoel, en ook die was van goud. Ze ging er op zitten en uit blijdschap streek ze haar boezelaar glad, en, kijk, dat was ook in goud veranderd. Maar haar blijdschap was niet van langen duur, want zoo ging het met alles waar ze aan kwam. Toen ze wou gaan eten veranderde ook het brood dat ze in haar mond stak in goud, en zelfs het eten op schotels en schalen werd zoodra ze die opnam klinkklaar goud; de soep in de soeplepel, het water in het glas, de koffie in het kopje: alles was goud, goud, goud! En zoo zat ze te midden van het goud; maar eten kon ze niet, en drinken kon ze niet, en zoo is ze tot straf voor haar begeerigheid van honger en dorst gestorven.
Onderwerp
AT 0750A - The Three Wishes   
ATU 0750A - The Three Wishes   
Beschrijving
Een arme vrouw biedt een reiziger onderdak, mag een wens doen en wil dat het werk, dat ze zometeen aanvangt, niet klaar is voor de avond. Ze gaat linnen meten en de hele kamer komt vol linnen. Dat wil de buurvrouw ook en ook zij krijgt bezoek van de reiziger en mag een wens doen. Zij wil dat alles wat ze aanraakt in goud verandert. Ook haar eten en drinken wordt tot goud, zodat ze van honger en dorst sterft.
Bron
G.J. Boekenoogen 'Nederlandse sprookjes en vertelsels' in: Volkskunde 16 (1904), pp. 249-250 N°59
Motief
D2172.2 - Magic gift: power to continue all day what one starts.   
J2072.1 - Short-sighted wish: Midas’s touch.   
Commentaar
1893
The Wishes & AT 0775: Midas' Short-sighted Wish
Datum Invoer
2013-03-01 14:46:20
